Boekcover.nl, 21 april 2008
De linkerwang van Doekle Terpstra
Hij heeft een rotsvast vertrouwen in de Nederlandse samenleving, is
lyrisch over het poldermodel en moet niks hebben van cynisme. We hebben
het hier over Doekle Terpstra, CDA'er in hart en nieren.
Door Steven de Jong
Bovenal is Terpstra een gereformeerde
goedzak die God nog iedere dag op zijn knietjes dankt dat hij van een
dubbeltje een kwartje is geworden. Ook iemand die iedereen hetzelfde
geluk gunt: autochtoon, maar vooral allochtoon.
Een harde werker
die een strijd voert om harmonie. En, niet te vergeten, een behoorlijke
klap heeft uitgedeeld aan de onverdraagzaamheid die hij Geert Wilders -
'het kwaad dat gestopt moet worden' - verwijt. Of die klap werkt als een
rode lap op een stier, of de Wilders-beweging een blijvend litteken
bezorgd, is een andere vraag.
In het boek 'Benoemen en Bouwen'
blikt Terpstra terug op "de bagger" die over hem heen werd gestort na
het publiceren van zijn brief in dagblad Trouw op 30 november. Een brief
die hij direct opschreef nadat hij in woede ontstak toen hij Wilders de
Koran een fascistoïde boek hoorde noemen. Tegen zijn vrouw had hij
gezegd: "Ik ben het spuug- en spuugzat." Een opvlieging waar hij heel
Nederland deelgenoot van heeft gemaakt.
Toch weet Terpstra zijn
woede uiterst beheerst onder woorden te brengen. Sterker nog, hij steekt
een hand uit naar de achterban van Wilders. Als lid van de witte elite
probeert hij zich in te leven in de problemen op straat. Hij waakt er
ook voor de Wilders-achterban niet weg te zetten als rancuneuze
kleinburgers of domme, jengelende kleuters. Al denkt hij dat natuurlijk
wel.
De vuistjes op de cover, de diaree van begrippen als
respect, tolerantie en verdraagzaamheid, de clichéverhalen 'ik sprak met
een Marokkaanse taxichauffeur', de statistiekjes over de zorgen van
Nederlanders: voor iedere columnist die zijn vak serieus neemt is het
kanonnenvoer. Want veel weet Terpstra niet te benoemen, en het bouwen
blijft steken in preken. Vergezichten dan? Diepe analyses? Nee, ook dat
blijft uit. Het boek leest als een boek dat je al eerder hebt gelezen.
Een pageturner, dat wel, maar alleen omdat je gerust tien bladzijden
ineens kunt omslaan zonder iets te missen. Scheur een bladzijde eruit,
en je hebt een uittreksel.
Terpstra verwijt in zijn boek dat
columnisten schreven dat 'niemand het met dit manifest oneens kan zijn'
en het vervolgens afkraakten. "Dan denk ik: is dat je vak, spijkers op
laag water zoeken?" Die columnisten, zo schrijft Terpstra in zijn niet
al te diepzinnige boek, waarschuwen voor alles wat los en vast zit en
alarmeren iedereen. "De keerzijde is wel weer dat vooral redelijke
mensen vleugellam gemaakt worden door de constante stroom
tegenwerpingen. Zo creëer je cynisme." Scherpslijpers die nooit eens
zelf een visie naar voren brengen, zegt Terpstra. "Columnisten: herzie
je strategie!", luidt de titel van het hoofdstuk dat Terpstra over deze
azijnpissers schrijft. God verhoede dat columnisten mee gaan doen met
het 'deze-vuist-op-deze-vuist'-versje van Doekle. Dat zou een saaie
bedoeling worden.
Die saaie bedoeling, dat is eigenlijk wat
Terpstra beoogt. Dat we elkaars hand vasthouden. Precies het gebaar dat
hij voor elkaar kreeg tijdens een vakbondsdemonstratie: dat mensen
elkaars hand gingen vasthouden, als vorm van protest. Het boek 'Benoemen
en bouwen' is zogezegd Terpstra’s brevet als bestuurder, als kapitein
op een log zeeschip. Iemand die koers wil houden, en het weldenkende
deel der natie kan organiseren om gevaarlijk manoeuvrerende speedbootjes
te overvaren. Iemand die het roer van Balkenende geruisloos over zou
kunnen nemen.
Illustratief is het verhaal van de leraar die dag
in dag uit getreiterd werd vanwege zijn geaardheid. En ondanks die
pesterijen buurtfeesten organiseert in de Amsterdamse Diamantbuurt,
suikerfeesten bezoekt, in overleg treedt met buurtvaders en elke dag
weer met goede moed voor de klas staat. Een homo die zich niet weer in
de kast heeft laten drukken, maar met een spervuur aan respect
uiteindelijk zelf respect afdwong.
Wat Terpstra hiermee wil
zeggen is dit: als autochtoon moet je je veel laten welgevallen voordat
je geaccepteerd wordt. Die houding, dát is de eigenlijke boodschap van
Terpstra. Een boodschap die hij ongetwijfeld heeft ontleend aan Mattheüs
5:39: "En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar
wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren." Het is
die linkerwang die Terpstra heeft moeten toekeren na de publicatie van
zijn brief, manifest en boek. Uiteindelijk zal hem dat het
lijsttrekkerschap van het CDA opleveren. Als beursgeslagen martelaar van
het onbenoemde woord.
Managementboek.nl, 18 april 2008
Wanneer de Dienstbare agent zijn Waakzaamheid verliest
Op woensdag 9 april 2008, 21.45 uur, verscheen ik, aangever die opgaf
te zijn S. de Jong, geboren te Apeldoorn, ten burele van District
Feijenoord-Ridderster om aangifte te doen van verloren reisbescheiden,
categorie Identiteitspapieren. 'Waakzaam en Dienstbaar', zo werd ik
verwelkomd, de slogan van het korps Rotterdam-Rijnmond.
Door Steven de Jong
"Een verliesje?", hoorde ik een agente nieuwsgierig aan haar collega
vragen. De dienstdoende agente die mij te woord staat slaat er geen
acht op. Zij is enkel en alleen met mij bezig. Zij is Dienstbaar met
een grote 'D'.
"Loopt u maar even mee, dan stellen we een proces-verbaal op." Ik word
van de aankomsthal, een modern vertrek met een prachtige aquarel van
Hare Majesteit, geleid naar een sober hokje, met een zware deur, kale
muren, een bureau en een computertje. Dit lijkt me het kamertje waar de
agente Waakzaam wordt met een grote 'W'.
De diender blijkt erg nieuwsgierig naar locatie, dag, datum en tijdstip
van vermissing. Ik geef aan dat ik mijn paspoort gewoon kwijt ben, en
geen idee heb waar ik het ben verloren. Op zakelijke toon vraagt ze
waar ik het ding voor het laatst gezien heb. Ik antwoord: "Nou, in het
stadhuis, aan de Coolsingel. Ergens in februari had ik het nog. Ik weet
nog dat ik het in mijn binnenzak stopte."
Ook wil ze weten wanneer ik merkte dat ik het paspoort niet meer had.
"Ja, toen ik een weekendje weg moest naar Berlijn, vorige week begon ik
te zoeken." Na enig aandringen van de agente begreep ik dat voor een
proces-verbaal gewoon concrete gegevens nodig zijn, zelfs als die niet
voorhanden zijn. Ik knikte dus maar 'ja' op vragen als "U bent het op
de Coolsingel verloren op 1 februari om 12.00 uur?!". Altijd bevestigen
(of bekennen), dan ben je er zo weer vanaf, weet ik nu. Het had niet
veel gescheeld of ik had burgemeester Opstelten nog beschuldigd van
diefstal. Maar gelukkig, bij een vermissing is ‘wie is de schuldige’
geen verplicht veld.
Eenmaal buiten het hokje glimlacht Beatrix me weer tegemoet. De agente
schiet plotsklaps weer van haar waakzame in haar dienstbare houding en
overhandigt mij met een glimlach het proces-verbaal, waarop locatie,
dag, datum en tijdstip van vermissing met militaire precisie staan
genoteerd. "Kunt u hier even tekenen? Dan doe ik uw kopie in een
mapje."
In tijden heb ik niet meer zo'n mooie, felgekleurde map mogen
ontvangen. Met daarin een full color folder over het proces dat na een
aangifte in werking wordt gezet. En een brief van A.J. Meijboom,
Korpschef Politie Rotterdam-Rijnmond, waarin hij mij bedankt voor de
aangifte alsmede een uitleg geeft over het belang ervan. "We willen
immers daar zijn, waar dat uit het oogpunt van veiligheid en
leefbaarheid het meest nodig is." In een andere brief wordt mij
Slachtofferhulp aangeboden. "Deze geboden diensten zijn voor u als
slachtoffer, gratis!", klinkt het aanmoedigend. Een overweging waard,
want ik was erg gehecht aan mijn paspoort met exotische stempels van
verre oorden. Dat is geen 'verliesje' meer, maar een groot verlies!
Thuis tref ik in de map nog een ‘enquête publiekstevredenheid’ aan. Hoe
lang duurde het voordat u aangesproken werd na binnenkomst? Vond u de
wachtruimte aangenaam om te verblijven? Was het personeel deskundig?
Correct gekleed? En beleefd? Bent u tevreden over de privacy tijdens de
aangifte? Op de voorkant mag ik – “mits geen bezwaar” - het
proces-verbaal-nummer vermelden. “Uw verbetertips of complimenten
kunnen via dat nummer doorgegeven worden aan degene, die uw aangifte
heeft opgenomen.” Bij de open vraag schrijf ik dat ik verrast ben door
de plezierige dienstverlening, de uitgebreide informatievoorziening en
de deskundige opname van mijn aangifte. Even overweeg ik om als
‘verbetertip’ op te merken dat in het hok, waarin de verbalisant mijn
aangifte opnam, een likje verf, koffieautomaat, plantje en
schilderijtje niet zouden misstaan. Maar ik besef dat ik – als slordige
burger die zijn paspoort is kwijtgeraakt – dat niet behoor te vragen.
Een vermanende preek zou wellicht meer gepast zijn, en een rekening
voor het werk dat ik de politie heb bezorgd.
De laatste keer dat ik aangifte deed van 'een verliesje' was jaren
geleden in Tsjechië. Een wereld van verschil met bureau
Feijenoord-Ridderster te Rotterdam. De brommende Tsjech die ons hielp
was noch waakzaam noch dienstbaar. Gestoord in zijn middagdutje begon
hij in het Tsjechisch iets te brommen, steeds luider, om ons vervolgens
heen te zenden met een papiertje waar geen verzekeringsinstantie
genoegen mee zou nemen.
Wat het verschil tussen het Tsjechische en Nederlandse politiebureau
is, wordt duidelijk in het boek ‘Klant in zicht, Marketing voor
not-for-profitorganisaties’. De auteurs Marleen Bekkers, Rob Beltman en
Kris Brees beschrijven in dit boek hoe maatschappelijke ondernemingen –
zoals zorginstellingen, rijk, provincies, gemeenten, nutsbedrijven en
sociale verhuurders – meer en meer geconfronteerd worden met burgers
die zich als klanten zijn gaan gedragen. Mensen die niet meer de in de
schoot geworpen afnemer zijn, maar als individuen hun mening hebben
over en invloed willen hebben op het werk van de organisatie.
Een trend die is ingegeven door de marktwerking in de publieke sector.
Het is het verhaal van de monopolist, bijvoorbeeld PTT, die plotseling
geconfronteerd werd met concurrenten op het traditionele net.
Commerciële partijen die zich onderscheiden op dienstverlening en
prijsbepaling. Of van NUON, die anders dan het klassieke nutsbedrijf,
wel met één belletje de meterstanden kan noteren, de tenaamstelling kan
wijzigen en een vraag kan beantwoorden over de abonnementsvorm. Daar
waar de klassieke staatsbedrijven vooral procesgericht waren (het
leveren van een goede kwaliteit water), zijn de nieuwe spelers gericht
op het specialisme van de klantenbinding (de dienstverlening rondom het
product water).
Een neveneffect is dat de politie ook een klap van deze marktmolen
heeft gehad. Hoewel de politie niet zo snel het monopolie zal verliezen
op het opnemen van aangiftes, voelen zij de hete adem in de nek: want
als waterbedrijven hun afnemers als echte klanten kunnen behandelen,
wordt dat ook van de politie verwacht.
Prijzenswaardig natuurlijk, al die klantvriendelijkheid van het gezag.
De vraag is echter wanneer het gezag wordt ondergraven. De website van
de Politie Rotterdam-Rijnmond stemt wat dat betreft weinig hoopvol. Op
die site staat nu een poll met de stelling: "Je mag best 'klootzak'
tegen een agent zeggen." 4.384 mensen hebben gestemd, twee derde vindt
van niet, een derde vindt van wel. En nog geen 1 procent heeft 'geen
mening'. Een korps dat zo'n basale norm ter discussie stelt mag dan wel
Dienstbaar zijn met een grote 'D', maar bij 'waakzaam' – het eerste
deel van de slogan – weet ze de SHIFT-toets niet meer te vinden.
Managementboek.nl, 11 april 2008
De gebroken spiegel van de samenleving
Argwaan kreeg ik pas toen ik hem iedere dag op het station aantrof.
Hoe laat of vroeg ik ook naar mijn werk ging, altijd was hij daar.
Wandelend van loket naar perron, en weer terug. Altijd stevig de pas
erin. Een man met een bestemming, zo moest het lijken, maar nooit nam
hij een trein.
Door Steven de Jong
De attributen waren in orde: een attacheekoffer, colbert en gekamd
haar. Op het oog leek er niets mis met hem. De Italiaans uitziende
meneer deed zich voor als een doodgewone forens, die dag in dag uit
naar zijn kantoorbaan reist.
Overal, en dat was minder gewoon, maakte hij een praatje; met de
loketbeambte, de kiosk-medewerker en de conducteur. Én zijn vrienden,
die midden op de dag – hangend in het portiek – halve liters bier
dronken. Inderdaad, de Italiaan was dakloos, zoals dat heet. Maar je
zag het er niet, niet direct althans, aan af.
Zelfbenoemde perronopzichters
Van dit soort zelfbenoemde ‘perronopzichters’ zijn er meer. Ik dacht
aan deze Italiaan toen ik vorige week het boek ‘Van miljonair tot
krantenjongen’ uit de schappen viste. Op de cover een verlaten perron,
in de verte een man in pak en op de voorgrond, liggend op een bankje,
óók een man in pak. Zijn koffer gebruikend als kussen.
Sander de Kramer, auteur van het boek en oud-hoofdredacteur van de
Straatkrant, is een van de weinigen die het voorrecht heeft deze mensen
te kennen. Uit oprechte nieuwsgierigheid heeft hij zelf een periode op
straat geleefd. De Kramer weet wat daklozen in hun plastictassen (of
een enkele keer een koffer) dragen. Geen paparassen, geen agenda, maar
hun ziel.
‘Bizarre levensverhalen van de straat’, luidt de ondertitel. Een
eufemisme, naar mijn mening, van de portretten waar hij de argeloze
boekenklant mee geconfronteerd. De vragen die ik niet aan de Italiaanse
‘perronopzichter’ durfde te stellen, worden in dit boek beantwoord door
zijn lotgenoten. Pech, genadeloze pech; dát is eigenlijk wat de aan
lager wal geraakten gemeen hebben. Maar ook niet meer dan dat, want de
verhalen zijn zo divers dat ik eerder zou willen spreken van een
afspiegeling van de samenleving. Een gebroken spiegel, dat wel.
Het weggeslagen gezicht
Bizar is in ieder geval het verhaal van Tom Bergmeijer, geboren in 1954
te Heerlen. Naar eigen zeggen zag hij er vroeger uit als The Fonz, een
stoere bink, die bijzonder in trek was bij de meiden. Ook op school
ging het hem voor de wind, en al op jonge leeftijd kreeg hij – na in
twee studierichtingen te zijn afgestudeerd – een verantwoordelijke
functie bij een zorginstelling. De hobby van zijn vriendin, antieke
poppen oplappen, maakte de ondernemer in hem los. Het geld stroomde
binnen toen zij een methode uitvonden om nieuwe poppenkleertjes er als
antiek uit te laten zien. “We konden ons geluk niet op. Het geld kwam
met bakken tegelijk binnen, we hadden een mooi huis midden in het bos
en we hadden ook nog eens zúlk leuk werk dat je het eigenlijk geen werk
kon noemen.”
In de vroege uurtjes van 8 augustus 1988 sloeg, “totaal onverwachts”,
het noodlot toe. Tom en zijn vriendin twijfelden de avond ervoor of ze
wel fit waren voor een feestje van hun vriend. Ze gingen toch, en zijn
vriendin reed terug. In de auto, het was inmiddels half vier in de
ochtend, ruzieden ze wat over de paar borrels die zijn vriendin op had.
Hoewel Tom zich alleen zorgen maakte over een eventuele
alcoholcontrole, werd hij slachtoffer van een verschrikkelijk
auto-ongeluk. “Tom was tijdens de aanrijding zo gruwelijk hard met zijn
hoofd tegen de rand van het dashboard geslagen, dat zijn gezicht, van
z’n voorhoofd tot aan z’n kin, compléét was weggeslagen. Omdat allebei
zijn oogkassen waren versplinterd, hingen Toms ogen, als lepels, langs
wat over was van zijn gelaat.” Overladen met schuldgevoelens nam zijn
vriendin, die wonderwel niets mankeerde, de maanden erna de rol op zich
van persoonlijk verzorgster. ‘De man van staal’, zoals De Kramer de
ongelukkige noemt, herstelde van een coma, vele operaties, maar de
hoofdpijnen hielden aan, ondraaglijke pijnen die hij – ten einde raad –
besloot te bestrijden met heroïne. Zijn relatie liep op de klippen en
“van de knappe, sterke en stoere ‘Hollandse Fonz’ was niets meer over
dan een verslaafd, depressief en gefrustreerd hoopje mens”. Zijn
buitensporige drugsgebruik had hem zo diep in de schulden gebracht, dat
hij alles kwijtraakte. “Tom was veroordeeld tot een zwervend bestaan”,
schrijft De Kramer. “Overdag slenterde hij, met z’n ziel onder de arm,
over straat.”
Met alcohol weggespoeld verdriet
De andere pechverhalen die De Kramer in de goot aantrof gaan over in
rook opgegane jongensdromen, ondraaglijke verliezen, op latere leeftijd
opkomende psychoses en verkeerd afgelopen ondernemersrisico’s. Hoe meer
verhalen je leest, hoe minder je de daklozen als losers ziet. Niet hun
vermeende zwakte of luiheid maakt de zwervers tot zwervers, maar -
weinig uitzonderingen daargelaten - ongeluk, verlies en pech. Het
verdriet daarover spoelden, snoven of spoten zij weg met alcohol of
drugs. Mensen die de maatschappij zijn ontglipt; een maatschappij van
vroeg op, post openmaken, rekeningen betalen en werken voor je geld.
Dagelijkse dingen die aan hun aandacht ontschoten, want hun grootste
vaste last was niet meer hun huur of hypotheek, maar het verlies van
alles waar zij aan hechtten. Het ondraaglijke verlies van hun leven.
Idealen die hem de das om deden
Een uitzondering is Salvatore Vaccaro. Hij heeft zijn miserabele
bestaan volkomen aan zichzelf te danken. Het waren zijn idealen die hem
de das om deden. Als werknemer bij de Fiat-fabriek in Turijn nam hij
ontslag toen de autofabrikant in 1985 besloot om militaire
tanktransportwagens te gaan produceren. Een keerpunt in zijn leven,
voortaan zou hij als pacifist ‘de wereld gaan redden’. In de nacht van
9 op 10 augustus 2005 maakte hij het wel erg bont. Hij klom over het
hek van de vliegbasis in Woensdrecht en maakte met een slopershamer
twee F16-gevechtsvliegtuigen onklaar. De hamer waarmee hij de
toestellen heeft bewerkt, zo meldt een actiesite, zou hij speciaal
hebben gehaald in Assisië, de geboorteplaats van de heilige Franciscus,
die veel mensen inspireert tot vredesacties. De stukgeslagen
kernraketvliegtuigen beplakte Salvatore met kindertekeningen. “Als
symbool voor leven versus de dodende kracht van F16’s.” Zijn vredesdaad
werd bestraft met een boete van 750.000 euro. “Een bedrag dat hij niet
kan en wíl betalen”, schrijft De Kramer. “Sindsdien zwerft Salvatore
blootvoets door het land. Gekleed in de kleur van de vrede: wit. Zijn
eten krijgt Turi van diverse winkeliers, die hem beschouwen als een
held.”
De trouwjurk in de plastic tas
De andere portretten, met name die van licht verstandelijk
gehandicapten en psychiatrisch patiënten, zijn zo bizar, dat medelij
plaats maakt voor een lach. Jacqueline Albers, bijvoorbeeld, heeft
altijd een bruidsjurk bij zich. In een plastic tas. Voor het geval dat
ze op een zekere dag de ware Jacob tegen het lijf loopt. Tragischer is
dat ze iedereen te goeder trouw is, ook de discipelen van de
‘kopen-op-kredietmarkt’. De Kramer: “Sommigen hebben meer dan honderd
telefoonabonnementen op hun naam staan, omdat de reclame beloofde dat
de telefoon gratis was.”
De etappe van onderkant naar bovenkant
Of neem Willem Koopman. “Eén van de meest belovende wielertalenten die
Nederland ooit heeft gekend”, zo introduceert De Kramer deze dakloze.
Het lot bepaalde echter anders. Willem raakte in een psychose en kwam
er nooit meer uit. “Sindsdien fietst hij dag én nacht op een oude,
gammele fiets rondjes door Rotterdam. Willem ziet het als zijn taak om
de stadsgrenzen te beschermen. Want hij weet zeker dat, vroeg of laat,
de Romeinen de stad zullen aanvallen.” Het is het verhaal van de
wachter die de sleutel tot de stadspoort, het burgerlijk bestaan, is
verloren. De gevallen wielerkampioen die te uitgeput is om de etappe
van onderkant naar bovenkant van de samenleving te rijden.
Problemen voor de deur, liefde door het raam naar buiten
Zijn deze mensen nog te redden? Waarom lukt het toch niet altijd met
begeleid wonen projecten, sociale werkplaatsen, budgetteringscursussen,
resocialisatieprogramma’s en reïntegratiecoaches? Goede bedoelingen,
subsidies en hulpverleners te over. Geert van de Berg, een
ex-ondernemer die vier miljoen gulden per jaar omzet draaide, failliet
ging en dakloos werd, haalt een gezegde aan. “Problemen voor de deur,
de liefde door het raam naar buiten.” Het ongrijpbare waar geen
beleidsprogramma tegenop gewassen is, niet in geld uitgedrukt kan
worden, maar blijkbaar wel nodig is om grip op het leven te houden – en
terug te krijgen.
Managementboek.nl, 5 april 2008
De wereld achter ‘die rotcomputer’
In november 2007 werd een 17-jarige jongen van zijn bed gelicht door
de politie. De jongen had meubels gestolen. Geen fysieke, maar digitale.
Desondanks vertegenwoordigden die pixels een waarde van 4000 euro.
Door Steven de Jong
Een actualiteitenrubriek versloeg de
arrestatie. Het ging immers om een novum in de justitiële geschiedenis.
“Altijd die rotcomputer van jou”, schold de moeder de jongen na.
Achter
die rotcomputer ging echter een wereld schuil die voor de gemiddelde
ouder niet te bevatten is. Terwijl de jongen zich in werkelijkheid
opsloot op zijn zolderkamertje, wandelde hij virtueel met een
karaktertje rond in Habbo Hotel.
Tieners kunnen in dit zogenaamde 'Massive Multiplayer Online Role Playing Game'
vriendschappen sluiten, ruzie maken, verkering krijgen, pesten, hun
kamer versieren, een uiterlijk aanmeten en die van dag tot dag weer
veranderen.
Virtueel wordt realiteit
“Het heeft
alles weg van het echte leven”, schrijven Jeroen Boschma en Inez Groen
in hun boek ‘Generatie Einstein’, “alleen bij een misstap zijn de
gevolgen niet desastreus en lig je niet direct uit een groep”. Althans,
tot die novemberavond in 2007, toen een overijverig rechercheteam
besloot, met medewerking van Habbo Hotel zelf, hier een testcase
van te maken. Habbo Hotel heeft namelijk een eigen valuta, de
Habbo-credtis, en die credits moeten met echte euro’s worden gekocht.
Wereldwijd
gaat er in het digitale hotel zo’n vier miljoen euro per maand om. Dit
soort gemeenplaatsen blijven voor ouders, leraren, zorginstellingen,
politie en justitie nagenoeg onzichtbaar. Hun prioriteit ligt bij zaken
die zij zelf kunnen waarnemen: een meisje dat geplaagd wordt op het
schoolplein, een jongen die stiekem jointjes rookt of de tiener die het
mobieltje van een klasgenoot jat. De virtuele wereld, waar kinderen soms
wel vier uur per dag in ronddolen, vormt een vrijplaats voor allerlei
ongein: Hyves-profielen bekladden, gemene foto’s op weblogs plaatsen, hate mail
sturen en zelfs stelen, zoals in Habbo Hotel gebeurt. Wie zich als kind
wil onttrekken aan ouderlijk toezicht, hoeft dus alleen maar zijn
computer aan te zetten.
Unieke generatiekloof, nauwelijks interactie
Deze
kloof tussen generaties is veel omvattender, unieker en complexer dan
die tussen de babyboomers (geboren tussen 1945 en 1955) en de Generatie X
(1960-1985). Terwijl het bij voorgaande generatiekloven ging om
verschillen tussen identiteitsuitingen en maatschappelijke
betrokkenheid, gaat het hier om nagenoeg gescheiden werelden. Werelden
met andere instrumenten, plaatsongebonden contactmomenten en dynamische
identiteitsbeleving. Maar met nog steeds dezelfde emoties omdat
oerwaarden als trouw en rechtvaardigheid nu eenmaal menseigen zijn.
Echter, het avontuur dat kinderen in Habbo Hotel, op MSN of in Second
Life beleven kunnen zij nauwelijks delen met hun ouders.
Het is
dan ook niet verwonderlijk dat tieners van nu, tussen de 12 en 18, in
real life botsen met de volwassen maatschappij. Dat botsen gebeurde
natuurlijk altijd al, maar de krachten achter de botsing van nu zijn
anders. Bij vroegere ‘generatieconflicten’ was er sprake van interactie
tussen de generaties, van opstandigheid, het tarten van het gezag. Nu
wordt de jongere generatie gekwalificeerd als ‘ongrijpbaar’. En om er
toch nog duiding aan te geven, laten ouderen zich verleiden tot het
plakken van etiketjes als lui, onverschillig en oppervlakkig.
Begrijpelijk, als je ze ziet samenklonteren op hangplekken, comazuipen
in zelfingerichte drinkketens of merkt dat ze nog geen kwartier de
aandacht bij de les kunnen houden. Maatschappelijke betrokkenheid maken
ze ook al niet te gelde. Althans, niet in lidmaatschappen van
georganiseerde jongerenbewegingen.
Deze ongrijpbaarheid levert
nogal wat vragen op. Voor opvoeders (hoe kun je kinderen waarschuwen
voor gevaren die je zelf niet kent?), voor overheden (hoe kun je
kinderen serieus laten nadenken over normen en waarden?), voor
zorginstellingen (hoe krijg je kinderen aan het praten?) en bedrijven
(hoe krijg je kinderen zover dat ze je producten kopen?). Kortom, een
groot communicatievraagstuk. Hoe krijg je contact, hoe houd je contact?
Autofabrikant ziet kind als doelgroep
Groen
en Boschma zijn als marketeers meester in kinder- en
jongerencommunicatie. Hun vak is het leggen van contact tussen instantie
en kind. De ene keer ontwikkelen ze bijvoorbeeld een anti-blow campagne
in opdracht van het Trimbos-instituut, de andere keer een
‘Bizznizzkoffer’ in opdracht van de Postbank dat kinderen spelenderwijs
met geld leert omgaan, en – niet geheel onbelangrijk – vertrouwd maakt
met de blauwe leeuw.
Ondanks het gegeven dat kinderen nauwelijks
eigen inkomsten generen en tekenbevoegdheid hebben, zijn ze als
doelgroep voor commerciële organisaties enorm belangrijk. Er zijn
eigenlijk drie redenen om een ruim marketingbudget vrij te maken voor
deze doelgroep. Ten eerste omdat zestienjarigen zo’n 1,1 miljard euro
per jaar vrij te besteden hebben (NIBUD Nationaal Scholierenonderzoek
2006/2007), ten tweede omdat kinderen meebeslissen over de bestedingen
van hun ouders (zestig procent heeft inspraak bij het doen van de
boodschappen; Jongeren 2005, Qrius) en ten derde omdat kinderen voor hun
negende levensjaar al een sterke merkvoorkeur ontwikkelen (volgens
hoogleraar Kind en Media Patti Valkenburg).
Wie als bedrijf de
juiste snaar weet te raken kweekt dus klanten voor het leven. Deze
wetenschap bracht General Motors er toe om meer dan tien procent van het
marketingbudget te spenderen aan de doelgroep van onder de zestien
jaar. Niet alleen omdat vijftien procent van de kinderen over het merk
en type van de nieuwe auto van papa beslist, maar ook en vooral omdat
het scheuren met speelgoedautootjes door de woonkamer een zekere invloed
heeft op de merkvoorkeur in het volwassen bestaan.
‘Ze kijken naar reclame als reclamemakers’
De
titel van het boek ‘Generatie Einstein’ geeft eigenlijk al aan waar de
schoen wringt. Dit zijn niet zomaar klanten, geen makke schapen, maar
uiterst sluwe, berekenende consumenten. Zij zijn “slimmer, sneller en
socialer”, beweren Groen en Boschma. De auteurs zijn uitermate
enthousiast over de vaardigheden van de 12- tot en met 18-jarigen. Een
welkom tegengeluid natuurlijk, gezien eerdere typeringen als
knip-en-plak-generatie, steeds-meergeneratie, patatgeneratie,
duimgeneratie en Fox Kidsgeneratie. Zo enthousiast zelfs, dat je je
bijna begint af te vragen of het doel van de auteurs – die in hun
dagelijks leven hun brood met jongerenmarketing verdienen - niet zozeer
is om een sociologische studie te doen, maar enkel en alleen om de
jongeren als doelgroep “te verkopen” aan toekomstige opdrachtgevers.
Maar goed, al zou dat zou zijn, de beschrijvingen zijn zo raak en van
het gehalte ‘de spijker op de kop’ dat ieder protest gesmoord wordt. Hun
belangrijkste les is dat de jonge consument weet van de hoed en de
rand: “Ze lezen nieuws als journalisten, ze kijken films als regisseurs
en kijken naar reclame als reclamemakers.”
De typeringen die de
auteurs aan deze generatie geven zijn opmerkelijk. De ‘ongrijpbare
generatie’ zou trouw zijn. “Want in een wereld die groter en
commerciëler wordt, zijn jongeren op zoek naar een veilige plek. Trouw
speelt in relaties daarom een grotere rol dan bij voorgaande
generaties.” Daarnaast zijn ze zakelijk: dankzij een overload aan
media-inspanningen gericht op jongeren, “hebben zij geen enkel geduld
meer met allerlei niet terzake doende onzin – als de informatie niet
heel snel en handig te vinden is, dan hoeft het niet meer.” Verder
zouden jongeren op zoek zijn naar intimiteit. “Zij kiezen regelmatig
voor thuiszitten met vrienden of familie en vertier dicht bij huis.” De
‘Generatie Einstein’ is zogezegd gericht op kwaliteit en
functionaliteit.
Jonge consument is authentiek en verwacht authenticiteit
Die
kwaliteit zit ‘m ook en vooral in hun moreel besef. Als centrale
waarden van de ‘Generatie Einstein’ benoemen de auteurs: authenticiteit,
respect, zelfontplooiing en eer. “Die authenticiteit verwachten zij ook
van anderen: een hippe, grappige leraar die zijn vak niet verstaat,
dwingt geen respect af bij jongeren. Een bedrijf dat hip doet, maar het
niet is, valt acuut door de mand en verliest respect.” Aan ‘respect’
geven zij een andere invulling dan hun ouders: het gaat niet om het
automatische respect dat oudere mensen verwachten op basis van leeftijd
of positie in de maatschappij, maar respect voor, bijvoorbeeld, iemand
die een knap kunstje kan op een skateboard dat hijzelf heeft
bedacht. Respect is voor de ‘Generatie Einstein’ zogezegd geen
vanzelfsprekendheid maar iets dat je moet verwerven. De competitieve
instelling die hieruit voortvloeit zien we terug in de populariteit van
Idols en het ‘pimpen’ van telefoons en internetprofielen.
Zelfontplooiing
is volgens Groen en Boschma “het hoogste goed” van de autochtone
jongeren. En daarom zou het niet belangrijk zijn hoeveel geld je ermee
verdient, maar hoeveel je ervan leert en of je er gelukkig van wordt.
“Zelf bepalen wat kwaliteit, wat goed werk afleveren is, vinden zij
belangrijker dan wat hun baas ervan vindt.” Tenslotte vormt ‘eer’ een
kernwaarde, zowel in zedelijk opzicht als in materialistisch opzicht
(statusverhogende activiteiten en producten). Met een Tommy
Hilfiger-outfit kun je bijvoorbeeld laten zien dat het je goed gaat.
Wat werkt wel, wat werkt niet?
De jongerenmarketing, het dichten van de kloof tussen bedrijf en kids consumers,
blijkt dusdanig ingewikkeld dat doordachte concepten plotseling
mislukken (jongeren die de grote sponsoren van evenementen niet
onthouden) en andere initiatieven een onbedoeld effect sorteren. Van dat
laatste geven Groen en Boschma een interessant voorbeeld. “MSN en sms
waren niet speciaal voor de jongere doelgroep ontwikkeld, maar juist
voor de zakelijke markt. En zijn massaal opgepikt en tot een succes
gemaakt door jongeren.” Het woordje ‘door’ is in dezen belangrijk. Wie
de gunst van de jongere wint, krijgt ze niet alleen als consument maar
ook als vertegenwoordiger. Consumenten die hun identiteit ontlenen aan
een mix van bewust geselecteerde merken. Niet om erbij te horen, maar om
zich te onderscheiden.
Niet iedereen is blij met deze positieve
typering. Aanvoerder van de ‘tegenbeweging’ is bijvoorbeeld Benjamin R.
Barber, een vooraanstaand Amerikaans politicoloog, die de huidige
generatie consumenten, en vooral de jongeren, bestempelt als
“infantiel”. Hij beschuldigt “de generatie die merken beleeft” van een
gebrek aan een ethos van verantwoordelijkheid, hard werken en
uitgestelde behoeftebevrediging. In zijn boek ‘De Infantiele Consument’
(2007) typeert hij de moderne consument als individu dat bevangen is
door “narcisme, privatisering en infantilisering”. Dat is dodelijk voor
de democratie, maar ook – uiteindelijk - voor het kapitalisme zelf,
beweert Barber. Deze politicoloog verbloemt niet dat hij een nostalgicus
is, een pleitbezorger van traditionele bureaucratische instituties. En
dat is nu juist waar de jeugd van tegenwoordig een broertje dood aan
heeft. “Een mening hebben, daarvoor uitkomen, met elkaar discussiëren
over allerlei maatschappelijke thema’s, heeft dan ook niet automatisch
tot gevolg dat ze zich aanmelden bij de instellingen die deze thema’s in
hun portefeuille hebben”, schrijven Boschma en Groen.
Nieuwe wereldorde?
Wie
er gelijk heeft doet er niet zoveel toe, simpelweg omdat ‘het gelijk’
van de ‘Infantiele Consument’ en die van ‘Generatie Einstein’ als
percepties samen een eigen werkelijkheid vormen. Een werkelijkheid van
generaties die elkaar niet begrijpen, traditionele bedrijven en
overheden die geen grip krijgen op consument en burger en miljoenen
jongeren die onderling een parallel, digitaal universum vormen. Zij die
los van traditionele instituties willen functioneren. Indien ze dat ook
lukt in hun volwassen bestaan als decision makers dan hebben ze
als jeugd niet alleen de toekomst, zoals Groen en Boschma bescheiden
opmerken, maar scheppen ze tegelijkertijd een nieuwe wereldorde. Niet
gestoeld op conventionele samenwerkingsverbanden, maar op basis van
moderne communicatiemiddelen die iedereen toegang verschaft tot de
publieke zaak en economische markt. Een wereld waarin producten niet
meer in etalages liggen en wetten niet meer in het parlement worden
gemaakt. Een wereld die ouderen omschrijven als “die rotcomputer”.
Managementboek.nl, 21 maart 2008
Deugt de burger?
We staan er niet bij
stil, maar wie ‘even boodschappen doet’ heeft zich te houden aan tientallen
regels en omgangsvormen. Van betaald parkeren tot ‘dank je wel’ zeggen bij de
kassa. De publieke ruimte is nagenoeg dichtgeregeld. En toch zijn we terug bij
waar de klassieken ooit begonnen. Het definiëren van de deugden.
Door Steven de Jong
Deugt de burger eigenlijk wel? Die
vraag legde de Nationale Ombudsman neer bij het Wetenschappelijk
Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie.
Jazeker, concludeerde dit instituut. In 2006 is slechts 1,34% gepakt of
bekend geraakt bij het Openbaar Ministerie vanwege een misdrijf.
Absolute grens tussen deugd en ondeugd
“Dat
betekent dat op jaarbasis ruim 98% van de burgers deugt”, merkte de
Ombudsman fier op in haar jaarverslag over 2007. Om vervolgens de
overheid er van langs te geven. “Bij beleidsvorming wordt zelden
rekening gehouden met het feit dat naar verhouding zo weinig burgers
niet deugen. Ten onrechte, want de burger verdient vertrouwen.”
Deugdzaam zijn wordt hier gelijkgesteld aan het niet overtreden van
wetten en regels: het Wetboek als absolute grens tussen deugd en
ondeugd.
Het denkkader van de klassieken
De
deugdenethiek, daarentegen, heeft niet zoveel op met meetbare
indicatoren als criminaliteit. Deze leer stelt het praktisch handelen
boven wetten en regels en hanteert de klassieke en theologische deugden
als denkkader. Klassieke deugden zijn bijvoorbeeld voorzichtigheid,
rechtvaardigheid, gematigdheid en moed. De laatste riep Aristoteles uit
tot voornaamste deugd. Hij stelde dat de deugd een karaktereigenschap
is. Moed als onontbeerlijke eigenschap op het slagveld, de bereidheid om
je leven op te offeren voor de gemeenschap.
Thomas van Aquino
benoemde in de dertiende eeuw de drie deugden van het christendom;
geloof, hoop en liefde. Hij stond aan de basis van de redenerende
theologie en maakte als eerste theoloog onderscheid tussen het
goddelijke en het menselijke recht. Voor zijn tijd was hij een verlichte
geest: het menselijke recht dat uit de rede voortkomt hoefde volgens
hem niet te wijken voor Gods genade.
Deugd weer in het middelpunt van de belangstelling
De
deugd, gedefinieerd als het goed zijn in zedelijke zin, staat in het
Nederland van de jaren nul weer in het centrum van de belangstelling.
Met dank aan de kabinetten Balkenende I, II, III en IV. De regering die
normen- en waarden tot onderwerp van publiek debat heeft gemaakt en
burgers aanspoort om samen te bepalen wat goed is, of beter gezegd: wat
burgerschap is. Krachten achter dit debat zijn de problemen rondom
integratie en de zogenaamde verloedering van de samenleving. De kern:
wetten en regels zijn niet voldoende, er is meer nodig voor een prettige
samenleving, nieuwe afspraken moeten worden gemaakt.
Vrijheidsbeleving van het afgekeurde gedrag
Waar
deugden een universeel karakter uitademen, daar zijn afspraken – veelal
gebaseerd op deugden – plaatsgebonden. Dat leidt weleens tot
onaangename tegenstellingen. De botsing van culturen bijvoorbeeld, zoals
die optreden bij migratie, maar ook in de dagelijkse praktijk. Zo
vertelde een bevriende hotelmedewerker mij eens mee dat zijn baas de
kosten van bevuilde kamers declareerde bij het bedrijf waar zijn
zakelijke gasten werkzaam zijn. Een grotere vernedering – dus straf – is
niet denkbaar. ‘Zeg Jan, hoe zit dat met die volgekotste plee, die
kapotte spiegel en die flessen wijn waar je het vloerkleed mee besmeurd
hebt?’ Dat valt niet uit te leggen als registeraccountant van een
gerenommeerd kantoor.
Dit voorbeeld gaat over keurige,
ogenschijnlijk deugdzame burgers die zich, eenmaal ontdaan van
bedrijfscodes en algemene fatsoensnormen, overleveren aan uitbundig
gedrag in de hoop dat hun corrigerende omgeving, hun natuurlijke
habitat, er niet mee geconfronteerd wordt. Het is de vrijheidsbeleving
van het onaangepaste, afgekeurde gedrag.
Een meer georganiseerde
vorm van deze uitlaatklep vinden we in het hooliganisme. Volgens Paul
van Gageldonk (‘Hand in Hand’, 2006) bevinden zich tussen dit schorem
van kleine criminelen ook keurige huisvaders. Datzelfde contrast hebben
de makers van ‘Green Street Hooligans’ in 2006 op het witte doek
gebracht. De hoofdpersoon, een van Harvard afgetrapte student
journalistiek, wordt gegrepen door oerwaarden als loyaliteit, eer en
eigenwaarden. Dat de uiting van die waarde de norm ‘stand your ground
and fight’ betekent is slechts bijzaak. Dat krijgt hij ook te horen van
een bendelid, een geschiedenisleraar die in het weekend zonder
gewetenswroeging een knuppel in de schouder van een rivaliserende
hooligan legt. Zolang zijn leven als brave dorpsonderwijzer maar niet
verstrengeld raakt met de erecodes van de hooligans is er geen probleem.
Bevrediging van impulsief opkomende behoeften
Met
een beetje compassie kun je de parttime hooligans en misdragende
zakenmensen vitaliteit toedichten. Zij bezitten het vermogen zich aan te
passen aan een andere omgeving, hun normen- en waardepatroon 180 graden
te draaien. De filosoof Immanuel Kant (1724-1804) zou hen echter
beschuldigen van nihilisme. Nihilisme, niet zoals Nietsche het bedoelde
of zoals het later door filosofen is ingekleed, maar zoals het in de
volksmond beklonken ligt: het onvermogen of de onwil om een eigen moraal
te ontwikkelen en daar naar te handelen. Ofwel, een totaal gebrek aan
verantwoordelijkheidsbesef gestoeld op een continu bevrediging van
impulsief opkomende behoeften.
Nadenken over consequenties van handelen
Kant
propageerde het zedelijk bewustzijn. Dat ieder mens over de
consequenties van zijn handelen moet nadenken. Niet op het causale, maar
op het universele niveau. Over wat er zou gebeuren als jouw handelen
tot algemene wet wordt verklaard. Denk bijvoorbeeld aan het lenen van
geld in de wetenschap dat je het niet terug kunt betalen. Kun je het dan
maken een belofte te doen die je niet kunt nakomen? In Kants ogen niet:
dat zou betekenen dat de belofte, in welke situatie dan ook, aan
betekenis verliest.
De Duitse filosoof had ook een praktische
aansporing voor zijn allesomvattende leefregel, beter bekend als de
categorisch imperatief. “Handel zo dat je de mensheid, zowel in je eigen
persoon als in de persoon van ieder ander tegelijkertijd altijd ook als
doel en nooit alleen als middel gebruikt.” Om kort te gaan: Kant
waarschuwt dat het individu op een zeker moment altijd de rekening
gepresenteerd zal krijgen, en dat dat moment niet hoeft samen te vallen
met de situatie waarin het individu zich heeft misdragen. Zoals de
hotelgast die op zijn werk wordt geconfronteerd met de verbouwde
hotelkamer.
Rijk der Doeleinden
In het dagelijks
leven wordt de leefregel van Kant met voeten getreden. Het voordringen
bij de kassa, luid bellen in de trein, het bevuilen van de straat. In al
deze situaties gebruikt de mens zijn omgeving als doel. In het meest
negatieve scenario leidt dit tot wat we ook wel de ‘verloedering van de
samenleving’ noemen. Precies het tegenovergestelde van wat Kant beoogde:
een Rijk der Doeleinden. Een soort hogere, morele wereld die de
zintuiglijke werkelijkheid overstijgt. De hemel op aarde, voor wie Kants
gedachtegang als iets religieus ervaart.
Calculerende burgers
Goed,
even terug naar het hier en nu. Voeten van de bank, en op de grond. Wat
Kant nastreeft is in de taal van politici en beleidsmakers gewoon ‘goed
burgerschap’. Burgerschap als gedeeld geweten, een gedeeld bewustzijn.
En burgerschap als een stukje identiteit van eenieder. De Sire-kreet ‘De
maatschappij dat ben jij’ is daar een treffend voorbeeld van.
Dat
burgerschap komt echter niet vanzelf tot stand. Waar Kant dogmatisch
was in zijn persoonlijk geweten, daar zijn burgers vooral calculerend.
In de auto houden zij zich in de regel aan de maximumsnelheid, maar als
er haast in het spel is schiet de meter zonder pardon in de verboden
zone. Bij haast, zo moet de redenering zijn, is het dan niet in het
eigenbelang om het algemeen belang te dienen. Aan Kants bewering dat het
altijd in het eigenbelang is om het algemeen te dienen, hebben zij een
broertje dood.
Corrigerende burgers
Getuige de
flitsmeldingen op de radio en navigatiesystemen, laten burgers zich veel
gelegen aan het corrigerende vermogen van de omgeving. Soms in de rol
van de staat, als vertegenwoordigend orgaan, soms in de rol van
medeburgers. Een voorbeeld: op 11 maart 2008 riep NS-directeur Aad
Veenman in dagblad De Pers reizigers op om actiever op te treden tegen
ordeverstorend gedrag. En dan met name luid bellen. Dat is volgens de
Consumentenbond ergernis nummer één is in de trein. “Als u ziet hoeveel
mensen om een beller heen zitten en hoeveel keer de conducteur
voorbijkomt, dan is het het meest effectief als de omgeving dat doet”,
zei Veenman tegen de verslaggever. De NS-topman zegt een toename te zien
in het aantal mensen dat anderen corrigeert, vooral in de stiltecoupe.
“Mensen zeggen gewoon: u heeft het niet in de gaten maar het is een
stiltecoupé.”
De geschiedenis leert dat dit helpt. Ooit heeft er
in Engeland bijvoorbeeld iemand besloten dat men op de roltrap aan de
rechterkant stil mag staan en links mag inhalen. Bordjes zijn daarvoor
niet nodig. Wie toch links stil staat, voelt namelijk de woedende ogen
in zijn rug priemen en kan er donder op zeggen dat hij op zijn schouder
getikt wordt.
Toch blijven we met een probleem zitten.
Burgerschap is niet zomaar de overtreffende trap van wet- en
regelgeving. Het laatste is repressief, terwijl het eerste zowel actief
(moeite doen om deugdzaam te zijn) en passief (niet buiten de groep
vallen) is. Volgens de Nationale Ombudsman kan een te harde aanpak
burgers zelfs van het burgerschap afdrijven. Als de overheid continu
spreekt van ‘lik-op-stuk’-beleid gaan ambtenaren burgers ook
‘lik-op-stuk’ behandelen. Het wantrouwen regeert. Volgens de Ombudsman
is dit funest, “want het grootste deel van de mensen deugt”. De kern van
de zaak: “Burgerschap kan zich alleen ontwikkelen wanneer de burger op
een waardige wijze wordt aangesproken en betrokken wordt bij de publieke
zaak.”
Het verzilveren van burgerschap
De
Nationale Ombudsman refereert in haar jaarverslag jaloers naar Amerika
en Frankrijk. Daar heerst een volkssoevereiniteit van ‘we the people’ en
‘au nom du peuple’, terwijl in Nederland een ‘wij het Nederlandse volk’
ontbreekt. Het vitale burgerschap zoals de Amerikanen en Fransen kennen
moet hier verstevigd worden, aldus de Ombudsman. Of, beter gezegd,
telkens opnieuw uitgevonden worden. Zijn grote wens laat zich
gemakkelijk raden, het prijkt als titel op de cover van het jaarverslag.
‘Burgerschap verzilverd’, als alom aanwezig iets wat nog moet neerdalen
in de kleibodem. Een grondgebied dat telkens door nieuwe voeten
betreden wordt, waar nieuwe afspraken gemaakt moeten worden.
Managementboek.nl, 7 maart 2008
De publieke ruimte is verkaveld in achtertuinen
In februari 2002, drie maanden voordat de Fortuyn-revolte in 26
zetels uitbetaald werd, was ik in Felix Meritus toeschouwer bij een
debat tussen een jong PvdA-kandidaat-Kamerlid en een door de wol
geverfde VVD-kandidate. De eerste had het te pas en te onpas over "het
volk", waarop de ander hem kapittelde met de sneer dat hij nog veel
moest leren. "Over het volk praten wij niet meer, wij hebben het over de
burger!"
Door Steven de Jong
Ze had gelijk. Het volk was op dat moment al dood en in ontbinding. De
burger had zich losgeweekt. Want zoals een Belspel-presentatrice de
illusie kan wekken dat jij de enige ‘slimmerd’ bent die om half vier 's
middags het antwoord op een raadsel weet, zo kunnen politici zich via
de beeldbuis tot de burger richten alsof hij de enige is die het land
kan redden van de ondergang.
Nu, zes jaar later, heeft ook de burger afgedaan. Wandel een
willekeurig gemeentehuis in en je wordt aangesproken als klant. Op
informatieborden, in brochures en op het ticket waarop je volgnummer
staat. De burger is tegenwoordig klant van de gemeente, klant van de
politie, klant van het CWI en klant van de Belastingdienst.
Het doet me denken aan het lied 'De Buurtsuper' uit 1995. Daarin
persifleerde de grote volkskomiek André van Duin op treffende wijze de
kleine kruidenier. Van Duin was allervriendelijkst tegen zijn klanten,
fantaseerde bij elke klantvraag een uitgebreid assortiment, maar viel
keer op keer door de mand. Van Duin was servicegericht, maar kon – hoe
graag hij ook wilde - geen echte service bieden. “Ik heb alleen een
winkelbel”, zo verontschuldigde hij zich met een glimlach.
Twaalf jaar later moeten we constateren dat Van Duin niet zozeer de
kleine kruidenier persifleerde, maar eerder de moderne ambtenaar. De
ambtenaar die de burger op het voetstuk van de klant heeft gehesen,
maar uiteindelijk – net als Van Duin – vooral ‘nee’ moet verkopen. De
moderne ambtenaar blijkt degene die, als het erop aan komt, alleen maar
een winkelbel heeft.
En toch houden burgers, met enige tegenzin, de moed erin. Dag in dag
uit stappen zij met te hoge verwachtingen het gemeentehuis binnen, en
gedragen zich als klanten die bij de Mediamarkt een flatscreen TV gaan
kopen. Maar waar de sketch van André van Duin eindigt in een vrolijk
"Goeiemorgen. Goeiemiddag."-refrein, daar vliegen de burger en de
ambtenaar elkaar in de haren. ‘Nee’ wordt verkocht, maar niet
getolereerd.
Zou het beter zijn als we de term klant maar helemaal afschaffen in
overheidsland? Dat is te betwijfelen: een burger die een kapvergunning
aanvraagt bij de gemeente mag zich volgens mij best als klant gedragen.
Als burger is hij uitonderhandeld met de overheid, want het vaststaande
beleid bepaalt of hij wel of niet de bijl ter hand mag nemen. De
uitvoering staat op dat moment centraal, en dan past het de ambtenaar
niet om over het wel en wee van de boom te delibereren. Wie als
gemeente de burger in dit soort situaties een klant noemt en
servicenormen belooft, organiseert een prikkel tot het verlenen van
correcte dienstverlening. Prima dus.
Maar hoe zit het met bewoners van volkswijk De Kruiskamp in Den Bosch.
Zij werden betrokken bij de besluitvorming over de plaatsing van een
opvanghuis voor drugsverslaafden in hun wijk en maakten van de inspraak
gebruik om de burgemeester te waarschuwen dat "de fik" erin zal gaan.
Die fik ging er ook in op 22 februari 2008, en het heeft er alle schijn
van dat de bewoners hier hun stem hebben laten gelden met een jerrycan
benzine. "In een democratie is dit niet de manier om je gelijk te
halen", aldus burgemeester Rombouts op het Journaal. "Hiep, hiep,
hoera, dat het is afgebrand", jubelde een mevrouw voor de camera, "en
ik hoop niet dat er iets voor terugkomt."
Is dit nu een voorbeeld van de negatieve kant van klantverwording van
de burger? Het individu dat altijd 'waar voor zijn belastinggeld' wil
hebben? Van de klant die in woede uitbarst als hij in de winkel die
hier democratie heet met lege handen heen gestuurd wordt? Het zal geen
gemakkelijke opgave voor burgemeester Rombouts zijn, maar hij zal de
insprekende burgers toch eens uit moeten leggen dat je bij hem als
verkoper van beleid soms ook weleens een kat in de zak koopt. Dat is
niet zozeer Rombouts aan te rekenen, als wel De Kruiskampers. Bewoners
die met hun klantnihilisme het burgerschap van redelijkheid en
incasseringsvermogen de nek om draaien.
Voor overheden, met name gemeenten (met enerzijds een uitvoerende,
anderzijds een beleidsontwikkelende taak) wordt het tijd eens goed na
te denken over wanneer je de bewoner een klant noemt en wanneer een
burger. Om duidelijk te maken dat inspraak niet automatisch leidt tot
afspraak. Dan zal de burgerklant inzien dat zijn achtertuin omheind is
door publieke belangen.
Managementboek.nl, 26 februari 2008
Vestingstad in verandering
"Moderne, complexe samenlevingen balanceren op de grens van chaos en
orde", schrijft Geert Teisman in zijn boek over publiek management. "Er
is behoefte aan orde, maar tegelijkertijd bestaat er weerstand tegen een
overdosis aan regels en wetten. Er is behoefte aan innovatie, maar ook
angst voor ongewenste ontwikkelingen."
Door Steven de Jong
Orde, chaos en angst voor ongewenste ontwikkelingen dus. Met deze
abstracties in mijn achterhoofd, deed ik zaterdag het stadje Gorinchem
aan. Dat was niet gepland. Nee, ik moest gewoon even wat eten en
Gorinchem lag op de weg naar huis. Nooit eerder was ik er geweest, en
aangezien ik mijn column nog moest schrijven voor dit weekend, begon ik
de indrukken in mij op te nemen en te toetsen aan mijn beeld over
Gorinchem.
Aanname
In Gorinchem, of Gorkum zoals het dikwijs uitgesproken wordt, is de
'stille tocht' uitgevonden. Althans in mijn – door journaalbeelden en
krantenberichten ingegeven - beleving. In 1999 waren er namelijk 30.000
mensen op de been, zo'n beetje alle bewoners, om hun afkeer kenbaar te
maken van een fatale schietpartij in een discotheek waarbij twee meisjes
het leven lieten. De verdachten waren Turken, en zo kreeg het incident
alle ingrediënten die voor nationale beroering nodig zijn. Het begin ook
van strenger toezicht, zoals fouilleren en camera's, in het
uitgaansleven en de opname van 'zinloos geweld' in het volksvocabulaire.
Gorkum viel me daarna steeds vaker op in het nieuws, en dat bedoel ik
niet in positieve zin.
Orde
Op deze zaterdagmiddag werd ik echter niet – niet direct althans - in
mijn aannames bevestigd. Afslag 28 van de A15 spuwde mij in een klein,
maar prachtig stadje uit. Aan de rand grote kantoorgebouwen, binnen de
bebouwde kom keurige rijtjeshuizen, een ziekenhuis, het stadhuis, een
winkelcentrum dat luistert naar de naam 'Plaza'. En daarna een sluis,
een stadsgracht met woonboten en uiteindelijk de historische stadskern,
met alle parkeerproblemen en eenrichtingsweggetjes van dien. Een soort
Gouda, maar dan dorpser. Gorkum heeft ook alles wat een dorp, en niet
alleen omdat het slechts beschikt over vijfendertigduizend inwoners, in
deze tijd hoort te hebben. Want ook hier is de homogenisering
toegeslagen van de Bakker Bart's, de Blokkers, de ABN Amro's, de Hema's
en detailwinkels die de grote namen dragen van Tommy Hilfiger en Etam.
Gorkum moet het van zijn historie hebben, zo viel me op. Hoe
indrukwekkend de recente architectonische uitspattingen ook zijn, het
staat in schril contrast met de gemoedelijkheid die de Grote Markt, het
centrale plein, uitstraalt. Waar het moderne Stadhuisplein slechts
dienst doet als parkeerplaats, daar is de Grote Markt een bruisend
gebied van cafeetjes en restaurants rondom een fontein die in 1898 is
gebouwd ter gelegenheid van de troonbestijging van koningin Wilhelmina.
Aan dat plein ben ik gaan eten. In 'Eet- & Drinkerij 't Oude
Stadthuys'. Gevestigd in, jawel, het oude stadhuis, een statig pand uit
1860 dat tevens onderdak biedt aan een museum en Artotheek. Een
verademing vergeleken met de AC-wegrestaurants en stationsrestauraties
die ik normaal weleens aan doe. Deze mensen zijn noch onderweg noch
thuis. Het etablissement is halfleeg, en de leegte wordt ingeruimd om
gepaste afstand – minstens een tafeltje – van elkaar te nemen. Geen
bulderlachen hier, maar bescheiden gemompel, onverstaanbaar, gesprekken
van mens tot mens. Tegen een decor van kroonluchters, ook al zijn ze van
kunststof, bescheiden achtergrondmuziek en schilderijen consumeer ik
hier 'een tomatensoep van het huis', wat stokbrood met kruidenboter en
een rode wijn.
Chaos
Buiten is de avond gevallen, kerkklokken beieren het negende uur in. Het
winkelende, kwebbelende publiek heeft de straat overgedragen aan
smoezende clubjes verveelde hangjongeren. Een blokje om doet mij
beseffen dat veel panden leeg staan; te huur, te koop of afgeplakt met
kranten. Hier en daar een dichtgemetseld kozijn. Makelaardij WoonVisie
adverteert met de slogan “Het snelst groeiende kantoor”. Uit een
restaurant komt een Turkse ober. Hij spreekt een jongen aan en vraagt
waarom hij met een papierprikker en vuilniszak loopt. “Ik heb een
taakstraf”, verklaart hij. “Waarom jij niet gewoon werken, zoals ik?”,
luidt de vermanende wedervraag. Terwijl ik stapvoets de binnenstad
uitrij wordt ik nagekeken en zelfs een keer provocerend tegengehouden.
De straat is overgedragen aan de allochtoon, de Gorkummer zit thuis voor
de buis. Of binnen in ‘’t Oude Stadthuys’.
Angst
Thuis download ik de beleidsnota 'Wonen in Gorinchem 2005-2015, horizon
2025'. Na het voorwoord van de wethouder - met lovende kreten als "naar
volle tevredenheid", "volop recreatiemogelijkheden", "groene omgeving"
en "aantrekkelijke historische binnenstad", komen in de analyse de
minpuntjes boven drijven. Ik citeer: "Vanaf 2000 vertrekken er meer
personen uit Gorinchem dan er zich vestigen. Vooral de vestiging van
personen in gezinsverband laat een negatieve trend zien." Het aandeel
productieven (20-64 jarigen) zal afnemen ten opzichte van de jongeren
(0-19 jarigen) en de ouderen (65+). "Een verhoging van de demografische
druk", luidt de zorgwekkende voorspelling.
Een fors aantal bladzijden zijn ingeruimd voor allochtonencijfers. Dat
is blijkbaar een aparte doelgroep voor de gemeente Gorinchem. "De
situering van (met name de niet-westerse) allochtonen is ongelijk over
de stad verdeeld”, klinkt het zorgwekkend. “In het westelijke stadsdeel,
en hiervan met name de Haarwijk, zijn de meeste allochtonen
woonachtig." Een van de volgende paragrafen verhaalt over ‘Criminaliteit
en veiligheid’. De zorg wordt geuit: “Het zich veilig voelen in het
eigen woondomein is van uitermate groot belang. Criminaliteit,
bedreigingen en zinloos geweld in en rond de woning vormen daarop een
aanslag.” Apaiserend: “Vaak is de ervaren onveiligheid groter dan op
grond van de statistieken verondersteld wordt.”
Het is duidelijk, ook Gorkum balanceert op de rand van orde en chaos. De
ogenschijnlijk hechte, homogene gemeenschap blijkt in werkelijkheid te
versnipperen onder druk van vergrijzing, uitstroom van jongeren en
concentratie van allochtonen. De toeristische stadswandeling leidt de
aandacht van de toevallige voorbijganger naar gevels en monumenten, maar
wie een blokje om loopt ziet de makelaarsborden als teken aan de wand.
De vestingstad is in verandering, maar ontbeert de veerkracht om de
vrede te bewaren.
Managementboek.nl, 18 februari 2008
Bunker van burgerschap
"Volle bak!" Een dame van middelbare leeftijd beent brasserie
'Achterom' in Berkel en Rodenrijs binnen. Ze neemt met haar vriendin
plaats aan de tafel achter mij. De mevrouw gedraagt zich alsof ze haar
eigen woonkamer betreedt, zoals iedereen zich hier gedraagt alsof het
hun thuis is.
Door Steven de Jong
Ik ben niet thuis, maar onderweg. "Op
doorreis", flapte ik eruit toen de kapster, even verderop, vroeg of ik
vanmiddag terug kon komen en ik naarstig naar een alibi zocht voor mijn
onaangekondigd bezoek aan de besloten gemeenschap die Berkel en
Rodenrijs is.
De brasserie in Berkel en Rodenrijs, eetcafé zo u
wilt, is niet bijzonder, niet ongewoner dan andere brasseries in den
lande. Het achtergrondgeluid wordt gedomineerd door geschuif van
stoelen, gerinkel van sleutels, gegorgel van een koffiezetapparaat,
geklingel van kopjes, gepiep van ovens, geknetter van bradend vlees.
Op
een andere golflengte klinkt het gemompel van mensen die iets te
bespreken hebben, geschreeuw van kinderen die iets willen. Donkere
mannenstemmen, hoge vrouwenstemmen, het uithalen van een lach. Naast mij
wordt het wel en wee van de lokale amateurvoetbalclub besproken. “Dan
hebben we dadelijk ook een probleem dat ik een scheidsrechter minder
heb”, vang ik op. Het is een gemêleerd gezelschap van dochters met
bejaarde moeders, zakenlieden, vrouwen met kinderen, collega's van
nabijgelegen kantoren en winkelende vriendinnen.
Kliekjes
Dit
alles tegen de achtergrond van het dorpsplein. Een modern decor van
beige bakstenen, en - midden op het dorpsplein - een spiraalvormig
kunstwerk op blauwmetalen staven. De winkels, waaronder The Phone House,
de Marskramer, de keurslager en de juwelier, onderscheiden zich van
elkaar met de inrichting van etalage en vormgeving van logo, maar de
afmetingen van hun uithangborden zijn keurig op elkaar afgestemd.
Anderhalve meter breed, een halve meter hoog. Ongetwijfeld zal er
uitgebreid over beraadslaagd zijn in de gemeenteraad. Een mevrouw
wandelt voorbij met een tas van C1000. Dát is Berkel en Rodenrijs ten
voeten uit. Op een zonnige februarivrijdag omstreeks 12 uur 30. Tussen
de middag, zoals dat in de volksmond heet.
‘Is dit nu de
Nederlandse identiteit?’, zo vraag ik me af terwijl ik van een warme
tomatensoep met prei en slagroom geniet. En zo ja, waarom voel ik me
hier dan niet thuis? Berkel en Rodenrijs is toch een dorp als alle
andere? In niets lijkt het zich te onderscheiden van Schagen, Purmerend
of Woudenberg. Maar plotseling herinner ik me een ingezonden stuk in
Trouw van een aantal maanden geleden. "Nederland is een land van
kliekjes en netwerken", schreven twee Turks-Nederlandse
organisatiedeskundigen. "De informele cultuur zonder duidelijke
hiërarchie zorgt ervoor dat nieuwkomers erg moeilijk een plaats vinden
in de Nederlandse samenleving", verklaarden de consultants van
organisatieadviesbureau Berenschot.
Maaiveld
Hoewel
het hier in Brasserie 'Achterom' een rumoer van vanjewelste is, ligt
het maaiveld er vandaag laag bij. De zakenmannen tegenover mij zijn niet
eerder aan de beurt dan de sjofel geklede vrijwilligers van de lokale
voetbalclub naast mij. Af en toe vang ik iets op dat voor volzin moet
doorgaan. “Dat hoorde ik van Arie. (..) Kwart voor twaalf verzamelen.
(..) Je ken toch niet te hard rijen achter elkaar. (..) Kun je nog een
beetje schuiven wou je zeggen.” Eten en drinken doen ze ongemanierd,
maar niemand die erop let.
De zakenlunch die tegenover mij
genoten wordt geeft een geheel andere aanblik. Deze gasten blijken van
een andere klasse in de samenleving. Ze dragen een pak, vegen hun mond
met servet af. De een heeft zijn bestek al gesloten neergelegd met de
heften wijzend naar tien voor half vier. De ander bewerkt zijn bord nog
alsof hij een archeologische vondst aan het determineren is. Kalm
spreekt de een zijn zinnen uit. De ander beantwoord ze met beleefde
knikjes. De derde meneer, een man met grijze slapen en donker colbert,
rekent ondertussen af bij de kassa. Zijn portemonnee trekt hij alsof hij
achteloos door zijn haar strijkt. De heren fatsoeneren hun kleren en
vervolgen hun weg.
Stamgast
De tafel wordt
afgeruimd door een jongen met een rode schort. Is hij nu dienstbaar voor
het zojuist vertrokken gezelschap, of gaan zijn klantvriendelijke
gedachten al uit naar de volgende, nog onbekende klant? Die klant komt
een kwartier later binnen. Drie plastic tassen sjouwt hij mee. Een met
de opdruk van C1000, een met blauwe spikkeltjes en een met het logo van
Kruidvat. Zijn verfomfaaide rugtas, van minstens tien jaar oud, drapeert
hij op de grond, in de weg. In de tassen zitten geen spullen, zo te
zien, uit genoemde winkels.
“Moet je wat drinken Jan?”, vraagt de
serveerster die hem blijkbaar kent. Jan heeft net de Telegraaf
opengeslagen, zijn neus opgetrokken en de bril in het ongekamde haar
geschoven. Hij kijkt verstoord op, knikt nietszeggend. De serveerster
loopt begrijpend weg. Jan moet wat drinken en de serveerster weet wat
hij wil. Aan Jan valt weinig te verdienen, hij bezet een tafel waar even
tevoren drie heren een dure zakenlunch nuttigden. Maar dat geeft niet
in Berkel en Rodenrijs. Jan is welkom. Jan is stamgast, zoals dat heet.
Burgerlijk
Hoe
kunnen we deze calvinistische sfeer duiden? Van kliekjes mensen die op
elkaar geen acht slaan, die doen alsof het andere kliekje vereenzelvigd
is met het meubilair? Rumoer is er, maar het gedrag is ingetogen,
gesprekken spelen zich af binnen de vierkante meter van de tafelomtrek.
Met vingers wordt niet geknipt, de zakenman wordt met evenveel
hoffelijkheid behandelt als de voetbalvrijwilliger. De bezwering 'doe
maar gewoon, dan doe je al gek genoeg' benauwd de atmosfeer in deze
brasserie. Precies zoals Leonhard Huizinga (1906-1980) ooit schreef: "Of
we hoog of laag springen, wij Nederlanders zijn allen burgerlijk, van
den notaris tot den dichter en van den baron tot den proletariër."
Het
boek 'De mensen en het dorp' leert ons meer over de volksstam in Berkel
en Rodenrijs. Daarin maakt Jan Schouten, directeur van
opleidingscentrum Schouten en Nelissen, een onderscheid tussen het
kapitalisme van de markt (Angelsaksisch) en het kapitalisme van de
gemeenschap (Rijnlands). In het Angelsaksische, ook wel neo-Amerikaanse
model, doet men alleen een transactie als de prestatie meteen een
tegenprestatie oplevert. “Maar in een gemeenschap is dat anders”,
doceert Schouten. “Daar heerst de lange termijn: ik breng offers, in de
wetenschap dat ik daar ooit voor beloond zal worden.” De relaties in
deze gemeenschap worden niet zozeer gereguleerd door geldstromen of de
wetten van de markt, als wel door de regels van de gemeenschap,
calvinistische regels. Het verklaart waarom stamgast Jan een tafel voor
vier mag bezetten voor een koffie per uur. "Zij nemen genoegen met een
onsje minder", verklaart Schouten.
Kapitalisme
'De
mensen in het dorp' gaat, zo begrijp ik nu, over mijn observaties in
brasserie 'Achterom'. Hier is het geen handjeklap, hierbinnen huist een
gemeenschap van pais en vree. Een gemeenschap van kliekjes, dat wel,
maar toch een echte gemeenschap. In Berkel en Rodenrijs woekert niet het
kapitalisme van de markt, maar dat van de gemeenschap. Een Rijnlands
dorp onder de rook van Rotterdam waar de Angelsaksische McDrives op de
loer liggen. Een strijd die bevochten wordt aan de maaskant. Een strijd
die van de Franse schrijver Michel Albert de naam 'Capitalisme contre
Capitalisme' kreeg; een finale tussen economische modellen die na de
overwinning op het communisme elkaar naar het leven staan in het
randstedelijke gebied.
Opponent van Michel Albert is ongetwijfeld
Adam Smith, een Schotse econoom uit de achttiende eeuw die wordt gezien
als de grondlegger van het klassiek liberalisme. Volgens Smith "mogen
we niet van de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker ons
avondmaal verwachten, maar van hun groot respect voor hun eigenbelang."
We zouden niet aan hun menselijkheid overgeleverd zijn, maar aan hun
eigenliefde.
Oorlogsverklaring
In Berkel en
Rodenrijs zijn we wel aan de welwillendheid van de slager, brouwer of
bakker overgeleverd. De brasserie in Berkel en Rodenrijs is zogezegd een
bunker van burgerschap. Langzaamaan begin ik me te beseffen dat ik
hier, hoe vriendelijk ik ook geholpen wordt, de haastige klant op
vijandelijk gebied ben. Hier doen ze prei in de tomatensoep. Niet als
teken van gastvrijheid voor buitenstaanders, maar als oorlogsverklaring
aan Cup-a-Soup-consumenten als ik.
Managementboek.nl, 10 februari 2008
Het aanstampen van stoeptegels houdt samenlevingen bijeen
Ik ben op weg naar mijn ouderlijk huis, wandelend in het dorp waar ik
opgegroeid ben. Het is zondag, half vijf in de middag, de zon staat
laag, de avond valt. Het dorp Leusden ligt er aangeharkt, geveegd en
vredig bij.
Door Steven de Jong
Het contrast met mijn woonplaats Rotterdam wordt bekrachtigd door een
stilzwijgen van claxons en afwezigheid van tingelende trams. Passanten
groeten elkaar. Leusden is zoals een dorp hoort te zijn. Een plek waar
maatschappelijke problemen veilig opgeborgen blijven in de beeldbuis.
Voor dorpse begrippen zijn het politiebureau en het gemeentehuis
indrukwekkende gebouwen. Vaag kan ik mij herinneren dat de Leusdenaren
in de kerk, op het dorpsplein en in de katernen van de Leusder Krant
hun verontwaardiging uitspraken over de grootte en luxe van dit bureau.
Een bureau dat vaker dicht dan open is, waarvan de dienders zich
slechts druk hoefden te maken om opgevoerde brommers en door het
winkelcentrum fietsende jongeren, had – volgens de gemeenschap - best
wat bescheidener gemogen.
Ook het gemeentehuis zorgde, eind jaren tachtig, voor de nodige
beroering: de kozijnen zijn namelijk paars, en paars is niet de kleur
die past bij een bestuursorgaan waar losliggende stoeptegels de
raadsvergaderingen domineren. Maar alles went, zelfs paarse kozijnen.
De rust keerde weder. Alleen de brand in de bibliotheek, veroorzaakt
door een ongelukje met een vuurpijl in het rieten dak, deed de
gemeenschap, begin jaren negentig, nog even opschrikken.
Wandelend langs het Paarse Hart van de Leusder democratie valt mijn
oog op een poster. Een poster op het raam aan de zijkant van het
gemeentehuis. Erop prijkt een verbodsbord, met daaromheen de tekst
'Geen Djihad in onze straat'. Wat is er gebeurd in 'mijn Leusden',
vraag ik me af. Zijn er kromzwaarden getrokken, is de buurtbus onlangs
opgeblazen, een vliegtuig in de kerktoren gevlogen? Natuurlijk niet; ik
stap, de vrije meningsuiting even aan mijn laars lappend, het
gemeenteplantsoen in en trek de poster van het raam af. Op de
schuifdeuren bij de ingang tref ik nog drie posters aan; ook die trek
ik eraf. Of beter gezegd, die scheur ik eraf – want zoals Luther al
wist – een manifest op de poort moet stevig vastzitten.

Het spijt me, kaalhoofdige wildplakkers van Voorpost.org. Maar in 'mijn
Leusden' is geen plek voor onnodige, haatdragende verordeningen. De
moslim die ik een straat verderop tegenkom trekt niet zijn kromzwaard,
maar groet beleefd. De poster zal hij niet onder ogen krijgen. Het
onderwerp in de raad van maandagavond zal niet de poster zijn. Het zal
gaan over losliggende stoeptegels. Vergis u niet, het aanstampen van
stoeptegels is wat samenlevingen bijeen houdt.
Managementboek.nl, 4 februari 2008
De tuinkabouters van de 21ste eeuw
Waar ik me hevig over op kan winden zijn vazen. Niet gewone vazen,
maar siervazen. Begrijp me goed, met losstaande siervazen heb ik geen
enkel probleem. Nee, het stoort me pas als ik ze met zijn tweeën
aantref, dicht bij elkaar, op een verder lege vensterbank.
Door Steven de Jong
Deze hardnekkige irritatie heb ik
opgelopen toen ik vorig jaar elke avond vanaf het station door een
nieuwbouwwijk naar huis moest lopen. Erger kun je een mens niet aandoen.
Waar ik ook keek, overal zag ik ze in paartjes in de vensterbanken van
brave burgermanshuizen staan. Had het ene huis ze, dan kon je er donder
op zeggen dat de buren ze ook hadden. Van die lange, slanke, glazen
siervazen. Verschrikkelijk! Niet omdat ik ze lelijk vind, maar omdat ik
ze overal – zonder reden – tegenkom. Het zijn de tuinkabouters van de
21ste eeuw.
Wat bezielt die mensen, dacht ik. Waarom nou toch?
Word je er gelukkiger van, is het een statussymbool? Tot overmaat van
ramp trof ik ze zelfs bij een vriendin aan, ook twee siervazen – met
niks erin natuurlijk – naast elkaar. Toen ze even weg was, heb ik ze –
bij wijze van experiment - ostentatief uit elkaar gezet. “Wat heb je met
mijn vazen gedaan?”, vroeg ze geïrriteerd. “Die horen naast elkaar.”
Waarom dan? “Nou gewoon, dat hoort zo.” Geen esthetische verantwoording,
geen diepzinnige interieurgedachte, maar “gewoon omdat het zo hoort”.
Alsof ik daar genoegen mee zou nemen.
Waarom dat zo hoort, begreep ik pas na lezing van ‘De stand des tijds’,
het boek van trendverkenner Herman Konings. De bittere werkelijkheid
openbaarde zich. Siervazen, in paartjes wel te verstaan, behoren tezamen
met oranje koekblikken (jaren zeventig), bakkebaarden (jaren zeventig
en jaren nul) en nordic walken (ook jaren nul) – tot de producttrends op
microniveau. Doorgaans hebben ze, volgens Konings – die zich baseert op
een model van het bureau Trendslator – een levensverwachting van zes
tot achttien maanden. Het gaat over de populariteit van een bepaald
product, een dienst of een gebeurtenis. “Het zijn de modestromingen –
hypes of rages – die snel de kop opsteken en dan uit het zicht
verdwijnen.”
Verontrustender is echter hoe die trends geruisloos
in het doen en laten van consumenten sluipen. Als virussen die tot
epidemie uit willen groeien en zich daarom pas openbaren na een
incubatietijd van enkele maanden. Met vakantiebestemmingen is dat
anders: vraag duizend respondenten in februari waar ze in juli en
augustus lanterfanten, dan kun je er vanuit gaan dat je ze daar, op een
paar na misschien, in de zomermaanden ook aan zult treffen. Maar
niemand, echt helemaal niemand, had twee jaar geleden kunnen voorspellen
dat duizenden babyboomers weekend na weekend met stokken door de bossen
hossen. Simpelweg omdat die langlaufers zonder ski’s, zo debiel ziet
het er immers uit, dat twee jaar gelden zelf ook niet wisten, en
waarschijnlijk ook – met het toen nog gezonde verstand - niet wilden.
Konings
verklaart: “Na bij consu-mensen te hebben gepolst wat ze in de toekomst
zullen doen, kunnen marketeers, productontwikkelaars,
communicatiedeskundigen en andere zakelijke beslissingsnemers maar beter
een andere weg inslaan dan het pad te volgen dat de peilingen
aanwezen.”
Hij doorbreekt hiermee de mythe dat consumenten het
bevredigen van behoeften zouden najagen. In onze westerse,
kapitalistische markt gaat het juist om het creëren van behoeften.
Bemiddelde consumenten hebben alles al, en daarom dragen bedrijven
mensen op wat ze ook nog moeten willen, en kopen. Niet omdat mensen dat
nodig hebben, maar omdat de schoorsteen moet roken. “Mochten
mobieletelefoonoperatoren zich louter achter de onbevangen eerste
indrukken van consumenten hebben geschaard”, illustreert Konings, “dan
had oma wellicht nu geen GSM”.
Als je de toekomstige markt wilt
kennen, moet je eerst de samenleving begrijpen, weet de trendanalist.
“Een trendanalist moet in de eerste plaats een blik menswetenschappers
opentrekken: psychologen, antropologen, sociologen, socio-demografen,
economen, filosofen en – jawel – geschiedkundigen.” Pas daarna kun je de
infantiele consument – zoals Benjamin Barber zou zeggen – doorgronden.
Na
kennis genomen te hebben van deze wetenswaardigheden, heb ik meer
begrip gekregen voor al die arme schapen met siervazen in hun
vensterbank. Ze kunnen niet anders, ze weten niet beter: zij zijn, als
makkelijk te infecteren consu-mens, ongewild de drijvende kracht achter
de moderne marktdemocratieën. Het brandhout dat de schoorsteen van
siervazenfabrikanten doet roken. En terwijl ik dit overpeins, staar ik
naar het bord wat ik zojuist in een Rotterdams grand café heb
leeggegeten. Het is geen rond, maar een vierkant bord. Houdt het dan
nooit op?
Managementboek.nl, 25 januari 2008
Stille getuigen van een maatschappij op drift
“How much? How much is it?” Een wat sjofele man, wankelend op zijn
benen, informeert naar de rekening. Preciezer: de prijs voor het op zak
hebben van drugs, de vlucht uit het dagelijks bestaan.
Door Steven de Jong
“Nee, je krijgt geen boete!”, tettert een jonge agente in zijn oor. “Je
krijgt een dagvaarding!” Het kan de man weinig schelen. Zelfs tegen een
standrechtelijke executie zou hij geen bezwaar maken. “Praat nou gewoon
Nederlands, jongen. Je bent hier in Nederland”, zegt haar collega
geïrriteerd. De junk begint te lachen, en rochelt – de ophef niet
begrijpend - op de grond.
Zomaar een flard van een gesprek,
opgevangen op een doordeweekse avond op de Lijnbaan in Rotterdam. De
winkelstraat die, na het zakken van de rolluiken, overgenomen wordt door
een ander publiek: jongeren die op weg zijn naar hippe danstenten, maar
dus ook de mensen die - zoals deze junk - de maatschappij de rug toe
hebben gekeerd. Of beter gezegd: die wij - de schuldeisende maatschappij
- op straat hebben gegooid, niet uitnodigen voor een
sollicitatiegesprek en met een boog omheen lopen. Het zijn de stille
getuigen van een maatschappij op drift, hoe harder wij lopen hoe groter
hun aantal.
Samen leven heeft, zoals het Kabinet er overigens
keurig bij vermeld, ook zijn prijs: namelijk samen werken, een
inspanning leveren. De nuchtere inspanning die steeds minder mensen op
kunnen brengen. De kloof tussen mensen die een CV opbouwen en diegenen
die hun strafblad vullen wordt breder.
“De snelheid van verandering zit op het hoogste toerental ooit”, schrijft Herman Konings in zijn boek ‘De stand des tijds‘.
Wie stil staat, op straat rond doolt en zich ophoudt in portieken
tekent voor een leven aan de zelfkant, wordt afgeschreven als een
verouderde computer die, vanwege een lage kloksnelheid, nieuwe software
niet meer kan draaien. Geen competenties meer heeft om samen met ons te
mogen leven, crashed op het besturingssysteem dat de moderne samenleving
is.
De beroepsactieve burger, daarentegen, uitgerust met mobiel,
Ipod en gestreken blouse heeft haast. Zijn moderne burgermansbestaan is
in de greep van nog te beantwoorden mailtjes, hypotheekaflossing en een
elektronische agenda die met alarmbellen de volgende afspraak inluidt.
Anders dan de bekeurde junk wordt hij niet beboet voor stilstaan maar
voor zijn grootste competentie: de snelheid erin houden. Hij wordt
slechts staande gehouden voor te hard rijden, stoptekens negeren en
bumperkleven.
Vooruitgang is wat ons beweegt. Al decennia. Toen
Henry Ford, zo schrijft Konings, de goegemeente van Dearborn (Michigan,
VS) de vraag had gesteld wat hij voor de boeren, burgers en buitenlieden
kon vervaardigen, luidde het antwoord: “Een sneller paard!”. Dat paard
kwam er, in de vorm van een auto, maar op de lange termijn heeft het
geen tijdswinst en werklastverlichting - “de naakte bekommernis van
Fords streekgenoten” - opgeleverd. Simpelweg omdat we onze werkschema’s
en sociale agenda’s erop hebben aangepast. Van een koerier die in een
uur van Amsterdam naar Rotterdam kan rijden verwachten we ook dat hij
binnen het uur met zijn pakje gearriveerd is.
Charlie Chaplin, ongetwijfeld de grappigste maatschappijcriticus van de industriële revolutie, doorzag dit al. Hij speelde
de fabrieksarbeider aan de lopende band, die op de automatische piloot
schroeven moest aandraaien in voorbij zoevende halfproducten. De
snelheid werd door de baas net zolang opgevoerd tot Chaplin compleet
doordraaide. Toen de band plotseling stopte, draaide hij de knopen in de
jurk van een vrouwelijke bediende aan en kreeg het aan de stok met de
hamerende buurman van wie hij het soepbord had omgedraaid. Onze
samenleving wordt er allerminst gemakkelijker en vrijer op. Integendeel,
technische hulpmiddelen maken ons jachtig, gestrest; op weg naar A naar
B; letters die pitstops symboliseren. We zijn beland in het stadium dat
kantoorklerken een burn-out krijgen op hun Microsoft Office.
Volgens
Mary Jane Ryen, auteur van de ‘Kracht van het Geduld’, is de snelheid
juist uit onze cultuur verdwenen en ervaren we enkel nog maar graden van
traagheid. Geduld verdwijnt uit onze psychologische
instrumententrommel. Het roven van tijd – voordringen en treuzelen – is
de gemene deler geworden van wat in bevolkingsenquêtes de toptien van
‘ergeren aan elkaar’ aanvoert. Fast food heeft de smaak uit ons eten
verdreven, time management de arbeidsvreugd.
Link: 'Kantoorklerken die een burn-out krijgen op hun Microsoft Office'
Managementboek.nl, 21 januari 2008
We ervaren enkel nog maar graden van traagheid
“Ik wil graag een kaartje kopen, maar die kut-automaten lezen mijn
pinpas niet”, aldus een jongedame op Rotterdam Centraal tegen een
drietal conducteurs.
Door Steven de Jong
De wandelende helpdeskmedewerkers verwijzen de dame vriendelijk door
naar het servicekantoor boven aan de trap, alwaar zij haar woordkeuze –
die vanwege de vindingrijke combinatie van ‘kut’ en ‘graag’ taalkundig
een pluim verdient - kan botvieren op mensen die nog niet zijn
vervangen door haperende computers.
Enig begrip kan ik wel
opbrengen voor deze opgefokte treinreizigster. De touchscreens van de
huidige generatie kaartautomaten ontnemen de gehaaste mens immers de
mogelijkheid om frequent en hard op drukknopjes te meppen; een
stressontladende activiteit die nog niet zo lang geleden het wachten op
het kaartje – in beleving – deed verkorten. Aangezien aaien over een
touchscreen stresspsychologisch nogal onbevredigend is, moet je op zo’n
moment wel putten uit het rijke vocabulaire dat de Bond tegen het
Vloeken, getuige haar vele campagneposters op stations, ons verbiedt.
Gelukkig
zijn er nog wel frisdrankautomaten waar je een deuk in kunt schoppen,
bedieningspanelen van liftdeuren waar je op kunt rammen, claxons waar je
verkeersdeelnemers mee op kunt jagen en loketambtenaren waar je het
smoelwerk van kunt verbouwen. Voor wie op een beschaafdere manier de
tijdsbeleving positief wil beïnvloeden kan ik overigens multitasking
aanraden. Het filerijden, bijvoorbeeld, zo ongeveer de grootste ergernis
van de automobilist, is – alleen als u casco verzekerd bent - te
combineren met koffiedrinken, de TomTom instellen, ontbijten, sms’en en
zelfs krantlezen. Eenmaal rijdend kunt u eventueel uw bovenbeen
gebruiken om te sturen, of beter gezegd: om tussen de vangrails te
laveren. Voor multitasking heeft u immers twee handen nodig. En, voor
wie gezegend is met een cruisecontrol, behoort het mobiel knippen van de
teennagels ook nog tot de mogelijkheden. Zo irritant hoeft wachten dus
niet te zijn.
Wachtenden, daarentegen, die geen
vervanghandelingen verrichten, zijn – zo schrijft Herman Konings in zijn
boek ‘De stand des tijds‘ - geneigd de reële verliestijd groter in te
schatten dan de chronometer. ‘Geduld’, de schone zaak die nog steeds als
deugd wordt beschouwd, maakt volgens de trendverkenner steeds minder
deel uit van onze psychologische instrumententrommel. De moderne
samenleving, van de huiselijke sfeer tot de publieke ruimte, richten we
namelijk steeds efficiënter in. Televisieprogramma’s kunnen we op elk
gewenst moment bekijken (Uitzendinggemist.nl), koffiefilters hoeven we
niet meer te vullen (Senseo-pads), overschrijvingskaarten niet meer te
posten (internetbankieren) en op het vliegveld kunnen we met een
paspoortlezer onszelf inchecken.
Maar in onze beleving gaan we er
niet op vooruit. Integendeel; de snelheid is uit onze cultuur
verdwenen, stelt Marie Jane Ryen, auteur van ‘De kracht van het geduld’.
Door an sich versnellende technieken als breedbandinternet en
spoedpassen op tolwegen “ervaren we enkel nog maar graden van
traagheid”. Wachten vinden we bij steeds minder gelegenheden
vanzelfsprekend, alles moet a la minute geregeld zijn. En daarom rijden
we liever al bellend en bumperklevend de kofferbak van treuzelaars in
elkaar, dan dat we ons concentreren op waar we mee bezig zijn; het
proces, de weg van A naar B. “We lijden massal aan wachtmerries”,
constateert Konings. Alleen de dood, zo waarschuwen cardiologen, kan de
door traagheid geplaagde stressmens nog inhalen.
Link: 'We ervaren enkel nog maar graden van traagheid'
Managementboek.nl, 13 januari 2008
Met het naleven van regels pronk je toch niet?
De afgelopen maand heb ik mijn best gedaan om de maximum snelheid
niet te overschrijden, niet te sjoemelen met de omzetbelasting en lege
flessen te scheiden van ander huishoudelijk afval.
Door Steven de Jong
Daarin ben ik geslaagd, maar ik had het beter voor me kunnen houden.
Want vanaf nu rust op mij de verdenking dat ik het normaal gesproken
niet zo nauw neem met de regels.
Zo denken de meeste ondernemers:
in een cultuur waar het vanzelfsprekend wordt geacht te voldoen aan
wet- en regelgeving, pronk je niet met de naleving ervan. Sterker,
handhavers – en in een grimmiger stadium rechercheurs, officieren van
justitie en rechters - zijn in de regel helemaal niet geïnteresseerd in
burgers en bedrijven die ‘het goed doen’.
Wel krijg ik de volle
aandacht als ik morgen met 160 km/h van de weg wordt gehaald, de
belastinginspecteur geen bonnetjes van als kostenpost opgevoerde laptops
kan overhandigen en de milieupolitie lege flessen aantreft tussen post
waar mijn adres op staat. Ter verdediging zou ik kunnen aantonen dat
mijn overtredingen slechts een bevlieging van burgerlijke
ongehoorzaamheid waren in mijn anders zo gezagsgetrouw bestaan, maar of
ik daarmee de strafmaat beïnvloedt is nog maar de vraag.
Die vraag – heeft de overheid oog voor inspanningen van bedrijven om zich te houden aan regels? - staat centraal in het boek ‘The Science of Compliance’
van Henriette Gelinck, voormalig officier van justitie. Met compliance
doelt Gelinck op naleving van regels als organisatievraagstuk. Als brug
tussen het wetboek van strafrecht en de kwaliteitsmanagementsystemen van
bedrijven.
Een simpel voorbeeld: volgens het recht moet een
werkplaats ‘in goede staat van onderhoud’ zijn, maar het wetboek laat na
te formuleren wat de wetgever daaronder verstaat. De ondernemer,
daarentegen, heeft er belang bij te weten hoe hij de activiteiten binnen
zijn onderneming moet inrichten zodat de onderneming functioneert
binnen de grenzen van het recht. Een verstandige ondernemer zal in
samenspraak met de vergunningverlener invulling geven aan het begrip
‘goed onderhoud’: bijvoorbeeld door het opstellen van een checklist,
waarmee het bedrijf zichzelf – op gezette tijden – kan inspecteren op de
aanwezigheid van roestplekken, lekkage, olie op de vloer en
rondslingerend gereedschap. Als tegenprestatie voor deze verankering van
regels in de bedrijfsvoering zou de handhaver de registratie ervan
moeten meewegen in het beoordelen van de situatie.
Dat gebeurt te
weinig, weet Gelinck. De toepassing van het recht wordt in Nederland
volgens haar getypeerd door het constateren van fouten en het aanwijzen
van schuldigen. Wel ziet ze een verschuiving van ‘Apply’ (eisen worden
eenzijdig door de overheid opgelegd) naar ‘Reply’, een klimaat waarin
eisen gecorrigeerd kunnen worden door inspraak en medezeggenschap. Maar
van compliance (’Comply’), het interactieve proces waarin overheid en
bedrijfsleven in samenspraak de spelregels vaststellen, is volgens haar
nauwelijks sprake.
Dat is vooral de overheid aan te rekenen, zo
illustreert Gelinck met een citaat van Maslow: “Als het enige
gereedschap dat je tot je beschikking hebt een hamer is, dan is de
verleiding groot om alles te behandelen alsof het een spijker is.” Zo
ook de schroef, die in dit geval symbool staat voor het proactieve
kwaliteitsdenken van menig ondernemer. Die managementsystemen worden
door handhavers nauwelijks bekeken, niet ‘in het het beleid gedraaid’;
nee, de handhaver geeft de voorkeur aan het slaan met de hamer. Op de
roestplekken, op de lekkage. Zonder oog te hebben voor de structurele
onderhouds- en inspectieactiviteiten (lees: compliance) die roest en
lekkage in de regel voorkomen en opsporen.
‘The Science of
Compliance’ is zo beschouwd een pleidooi voor een beloningssysteem,
parallel aan het strafrecht. Dat vraagt ook om een cultuurverandering in
het bedrijfsleven; ondernemers die een compliance-traject ingaan zullen
open moeten communiceren hoe goed ze de regels wel niet naleven. En dat
is, zo begon ik mijn column, niet iets waar je mee te koop loopt. Het
gaat dus niet zozeer om ‘the science’ als wel om ‘the silence’ rondom
compliance: het doorbreken van de stilte. Dat is toegeven aan het feit
dat iedereen die geacht wordt de wet te kennen die wet eigenlijk
helemaal niet zo goed kent.
Link: 'Silence of Compliance - strafrecht en kwaliteitsdenken in elkaar gedraaid'