donderdag 15 augustus 2013

De linkerwang van Doekle Terpstra

Boekcover.nl, 21 april 2008
De linkerwang van Doekle Terpstra


Hij heeft een rotsvast vertrouwen in de Nederlandse samenleving, is lyrisch over het poldermodel en moet niks hebben van cynisme. We hebben het hier over Doekle Terpstra, CDA'er in hart en nieren.

Door Steven de Jong

Bovenal is Terpstra een gereformeerde goedzak die God nog iedere dag op zijn knietjes dankt dat hij van een dubbeltje een kwartje is geworden. Ook iemand die iedereen hetzelfde geluk gunt: autochtoon, maar vooral allochtoon.

Een harde werker die een strijd voert om harmonie. En, niet te vergeten, een behoorlijke klap heeft uitgedeeld aan de onverdraagzaamheid die hij Geert Wilders - 'het kwaad dat gestopt moet worden' - verwijt. Of die klap werkt als een rode lap op een stier, of de Wilders-beweging een blijvend litteken bezorgd, is een andere vraag.

In het boek 'Benoemen en Bouwen' blikt Terpstra terug op "de bagger" die over hem heen werd gestort na het publiceren van zijn brief in dagblad Trouw op 30 november. Een brief die hij direct opschreef nadat hij in woede ontstak toen hij Wilders de Koran een fascistoïde boek hoorde noemen. Tegen zijn vrouw had hij gezegd: "Ik ben het spuug- en spuugzat." Een opvlieging waar hij heel Nederland deelgenoot van heeft gemaakt.

Toch weet Terpstra zijn woede uiterst beheerst onder woorden te brengen. Sterker nog, hij steekt een hand uit naar de achterban van Wilders. Als lid van de witte elite probeert hij zich in te leven in de problemen op straat. Hij waakt er ook voor de Wilders-achterban niet weg te zetten als rancuneuze kleinburgers of domme, jengelende kleuters. Al denkt hij dat natuurlijk wel.

De vuistjes op de cover, de diaree van begrippen als respect, tolerantie en verdraagzaamheid, de clichéverhalen 'ik sprak met een Marokkaanse taxichauffeur', de statistiekjes over de zorgen van Nederlanders: voor iedere columnist die zijn vak serieus neemt is het kanonnenvoer. Want veel weet Terpstra niet te benoemen, en het bouwen blijft steken in preken. Vergezichten dan? Diepe analyses? Nee, ook dat blijft uit. Het boek leest als een boek dat je al eerder hebt gelezen. Een pageturner, dat wel, maar alleen omdat je gerust tien bladzijden ineens kunt omslaan zonder iets te missen. Scheur een bladzijde eruit, en je hebt een uittreksel.

Terpstra verwijt in zijn boek dat columnisten schreven dat 'niemand het met dit manifest oneens kan zijn' en het vervolgens afkraakten. "Dan denk ik: is dat je vak, spijkers op laag water zoeken?" Die columnisten, zo schrijft Terpstra in zijn niet al te diepzinnige boek, waarschuwen voor alles wat los en vast zit en alarmeren iedereen. "De keerzijde is wel weer dat vooral redelijke mensen vleugellam gemaakt worden door de constante stroom tegenwerpingen. Zo creëer je cynisme." Scherpslijpers die nooit eens zelf een visie naar voren brengen, zegt Terpstra. "Columnisten: herzie je strategie!", luidt de titel van het hoofdstuk dat Terpstra over deze azijnpissers schrijft. God verhoede dat columnisten mee gaan doen met het 'deze-vuist-op-deze-vuist'-versje van Doekle. Dat zou een saaie bedoeling worden.

Die saaie bedoeling, dat is eigenlijk wat Terpstra beoogt. Dat we elkaars hand vasthouden. Precies het gebaar dat hij voor elkaar kreeg tijdens een vakbondsdemonstratie: dat mensen elkaars hand gingen vasthouden, als vorm van protest. Het boek 'Benoemen en bouwen' is zogezegd Terpstra’s brevet als bestuurder, als kapitein op een log zeeschip. Iemand die koers wil houden, en het weldenkende deel der natie kan organiseren om gevaarlijk manoeuvrerende speedbootjes te overvaren. Iemand die het roer van Balkenende geruisloos over zou kunnen nemen.

Illustratief is het verhaal van de leraar die dag in dag uit getreiterd werd vanwege zijn geaardheid. En ondanks die pesterijen buurtfeesten organiseert in de Amsterdamse Diamantbuurt, suikerfeesten bezoekt, in overleg treedt met buurtvaders en elke dag weer met goede moed voor de klas staat. Een homo die zich niet weer in de kast heeft laten drukken, maar met een spervuur aan respect uiteindelijk zelf respect afdwong.

Wat Terpstra hiermee wil zeggen is dit: als autochtoon moet je je veel laten welgevallen voordat je geaccepteerd wordt. Die houding, dát is de eigenlijke boodschap van Terpstra. Een boodschap die hij ongetwijfeld heeft ontleend aan Mattheüs 5:39: "En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren." Het is die linkerwang die Terpstra heeft moeten toekeren na de publicatie van zijn brief, manifest en boek. Uiteindelijk zal hem dat het lijsttrekkerschap van het CDA opleveren. Als beursgeslagen martelaar van het onbenoemde woord.

Wanneer de Dienstbare agent zijn Waakzaamheid verliest

Managementboek.nl, 18 april 2008
Wanneer de Dienstbare agent zijn Waakzaamheid verliest


Op woensdag 9 april 2008, 21.45 uur, verscheen ik, aangever die opgaf te zijn S. de Jong, geboren te Apeldoorn, ten burele van District Feijenoord-Ridderster om aangifte te doen van verloren reisbescheiden, categorie Identiteitspapieren. 'Waakzaam en Dienstbaar', zo werd ik verwelkomd, de slogan van het korps Rotterdam-Rijnmond.

Door Steven de Jong

"Een verliesje?", hoorde ik een agente nieuwsgierig aan haar collega vragen. De dienstdoende agente die mij te woord staat slaat er geen acht op. Zij is enkel en alleen met mij bezig. Zij is Dienstbaar met een grote 'D'.

"Loopt u maar even mee, dan stellen we een proces-verbaal op." Ik word van de aankomsthal, een modern vertrek met een prachtige aquarel van Hare Majesteit, geleid naar een sober hokje, met een zware deur, kale muren, een bureau en een computertje. Dit lijkt me het kamertje waar de agente Waakzaam wordt met een grote 'W'.

De diender blijkt erg nieuwsgierig naar locatie, dag, datum en tijdstip van vermissing. Ik geef aan dat ik mijn paspoort gewoon kwijt ben, en geen idee heb waar ik het ben verloren. Op zakelijke toon vraagt ze waar ik het ding voor het laatst gezien heb. Ik antwoord: "Nou, in het stadhuis, aan de Coolsingel. Ergens in februari had ik het nog. Ik weet nog dat ik het in mijn binnenzak stopte."

Ook wil ze weten wanneer ik merkte dat ik het paspoort niet meer had. "Ja, toen ik een weekendje weg moest naar Berlijn, vorige week begon ik te zoeken." Na enig aandringen van de agente begreep ik dat voor een proces-verbaal gewoon concrete gegevens nodig zijn, zelfs als die niet voorhanden zijn. Ik knikte dus maar 'ja' op vragen als "U bent het op de Coolsingel verloren op 1 februari om 12.00 uur?!". Altijd bevestigen (of bekennen), dan ben je er zo weer vanaf, weet ik nu. Het had niet veel gescheeld of ik had burgemeester Opstelten nog beschuldigd van diefstal. Maar gelukkig, bij een vermissing is ‘wie is de schuldige’ geen verplicht veld.

Eenmaal buiten het hokje glimlacht Beatrix me weer tegemoet. De agente schiet plotsklaps weer van haar waakzame in haar dienstbare houding en overhandigt mij met een glimlach het proces-verbaal, waarop locatie, dag, datum en tijdstip van vermissing met militaire precisie staan genoteerd. "Kunt u hier even tekenen? Dan doe ik uw kopie in een mapje."

In tijden heb ik niet meer zo'n mooie, felgekleurde map mogen ontvangen. Met daarin een full color folder over het proces dat na een aangifte in werking wordt gezet. En een brief van A.J. Meijboom, Korpschef Politie Rotterdam-Rijnmond, waarin hij mij bedankt voor de aangifte alsmede een uitleg geeft over het belang ervan. "We willen immers daar zijn, waar dat uit het oogpunt van veiligheid en leefbaarheid het meest nodig is." In een andere brief wordt mij Slachtofferhulp aangeboden. "Deze geboden diensten zijn voor u als slachtoffer, gratis!", klinkt het aanmoedigend. Een overweging waard, want ik was erg gehecht aan mijn paspoort met exotische stempels van verre oorden. Dat is geen 'verliesje' meer, maar een groot verlies!

Thuis tref ik in de map nog een ‘enquête publiekstevredenheid’ aan. Hoe lang duurde het voordat u aangesproken werd na binnenkomst? Vond u de wachtruimte aangenaam om te verblijven? Was het personeel deskundig? Correct gekleed? En beleefd? Bent u tevreden over de privacy tijdens de aangifte? Op de voorkant mag ik – “mits geen bezwaar” - het proces-verbaal-nummer vermelden. “Uw verbetertips of complimenten kunnen via dat nummer doorgegeven worden aan degene, die uw aangifte heeft opgenomen.” Bij de open vraag schrijf ik dat ik verrast ben door de plezierige dienstverlening, de uitgebreide informatievoorziening en de deskundige opname van mijn aangifte. Even overweeg ik om als ‘verbetertip’ op te merken dat in het hok, waarin de verbalisant mijn aangifte opnam, een likje verf, koffieautomaat, plantje en schilderijtje niet zouden misstaan. Maar ik besef dat ik – als slordige burger die zijn paspoort is kwijtgeraakt – dat niet behoor te vragen. Een vermanende preek zou wellicht meer gepast zijn, en een rekening voor het werk dat ik de politie heb bezorgd.

De laatste keer dat ik aangifte deed van 'een verliesje' was jaren geleden in Tsjechië. Een wereld van verschil met bureau Feijenoord-Ridderster te Rotterdam. De brommende Tsjech die ons hielp was noch waakzaam noch dienstbaar. Gestoord in zijn middagdutje begon hij in het Tsjechisch iets te brommen, steeds luider, om ons vervolgens heen te zenden met een papiertje waar geen verzekeringsinstantie genoegen mee zou nemen.

Wat het verschil tussen het Tsjechische en Nederlandse politiebureau is, wordt duidelijk in het boek ‘Klant in zicht, Marketing voor not-for-profitorganisaties’. De auteurs Marleen Bekkers, Rob Beltman en Kris Brees beschrijven in dit boek hoe maatschappelijke ondernemingen – zoals zorginstellingen, rijk, provincies, gemeenten, nutsbedrijven en sociale verhuurders – meer en meer geconfronteerd worden met burgers die zich als klanten zijn gaan gedragen. Mensen die niet meer de in de schoot geworpen afnemer zijn, maar als individuen hun mening hebben over en invloed willen hebben op het werk van de organisatie.

Een trend die is ingegeven door de marktwerking in de publieke sector. Het is het verhaal van de monopolist, bijvoorbeeld PTT, die plotseling geconfronteerd werd met concurrenten op het traditionele net. Commerciële partijen die zich onderscheiden op dienstverlening en prijsbepaling. Of van NUON, die anders dan het klassieke nutsbedrijf, wel met één belletje de meterstanden kan noteren, de tenaamstelling kan wijzigen en een vraag kan beantwoorden over de abonnementsvorm. Daar waar de klassieke staatsbedrijven vooral procesgericht waren (het leveren van een goede kwaliteit water), zijn de nieuwe spelers gericht op het specialisme van de klantenbinding (de dienstverlening rondom het product water).

Een neveneffect is dat de politie ook een klap van deze marktmolen heeft gehad. Hoewel de politie niet zo snel het monopolie zal verliezen op het opnemen van aangiftes, voelen zij de hete adem in de nek: want als waterbedrijven hun afnemers als echte klanten kunnen behandelen, wordt dat ook van de politie verwacht.

Prijzenswaardig natuurlijk, al die klantvriendelijkheid van het gezag. De vraag is echter wanneer het gezag wordt ondergraven. De website van de Politie Rotterdam-Rijnmond stemt wat dat betreft weinig hoopvol. Op die site staat nu een poll met de stelling: "Je mag best 'klootzak' tegen een agent zeggen." 4.384 mensen hebben gestemd, twee derde vindt van niet, een derde vindt van wel. En nog geen 1 procent heeft 'geen mening'. Een korps dat zo'n basale norm ter discussie stelt mag dan wel Dienstbaar zijn met een grote 'D', maar bij 'waakzaam' – het eerste deel van de slogan – weet ze de SHIFT-toets niet meer te vinden.

De gebroken spiegel van de samenleving

Managementboek.nl, 11 april 2008
De gebroken spiegel van de samenleving


Argwaan kreeg ik pas toen ik hem iedere dag op het station aantrof. Hoe laat of vroeg ik ook naar mijn werk ging, altijd was hij daar. Wandelend van loket naar perron, en weer terug. Altijd stevig de pas erin. Een man met een bestemming, zo moest het lijken, maar nooit nam hij een trein.

Door Steven de Jong

De attributen waren in orde: een attacheekoffer, colbert en gekamd haar. Op het oog leek er niets mis met hem. De Italiaans uitziende meneer deed zich voor als een doodgewone forens, die dag in dag uit naar zijn kantoorbaan reist.

Overal, en dat was minder gewoon, maakte hij een praatje; met de loketbeambte, de kiosk-medewerker en de conducteur. Én zijn vrienden, die midden op de dag – hangend in het portiek – halve liters bier dronken. Inderdaad, de Italiaan was dakloos, zoals dat heet. Maar je zag het er niet, niet direct althans, aan af.

Zelfbenoemde perronopzichters


Van dit soort zelfbenoemde ‘perronopzichters’ zijn er meer. Ik dacht aan deze Italiaan toen ik vorige week het boek ‘Van miljonair tot krantenjongen’ uit de schappen viste. Op de cover een verlaten perron, in de verte een man in pak en op de voorgrond, liggend op een bankje, óók een man in pak. Zijn koffer gebruikend als kussen.

Sander de Kramer, auteur van het boek en oud-hoofdredacteur van de Straatkrant, is een van de weinigen die het voorrecht heeft deze mensen te kennen. Uit oprechte nieuwsgierigheid heeft hij zelf een periode op straat geleefd. De Kramer weet wat daklozen in hun plastictassen (of een enkele keer een koffer) dragen. Geen paparassen, geen agenda, maar hun ziel.

‘Bizarre levensverhalen van de straat’, luidt de ondertitel. Een eufemisme, naar mijn mening, van de portretten waar hij de argeloze boekenklant mee geconfronteerd. De vragen die ik niet aan de Italiaanse ‘perronopzichter’ durfde te stellen, worden in dit boek beantwoord door zijn lotgenoten. Pech, genadeloze pech; dát is eigenlijk wat de aan lager wal geraakten gemeen hebben. Maar ook niet meer dan dat, want de verhalen zijn zo divers dat ik eerder zou willen spreken van een afspiegeling van de samenleving. Een gebroken spiegel, dat wel.

Het weggeslagen gezicht


Bizar is in ieder geval het verhaal van Tom Bergmeijer, geboren in 1954 te Heerlen. Naar eigen zeggen zag hij er vroeger uit als The Fonz, een stoere bink, die bijzonder in trek was bij de meiden. Ook op school ging het hem voor de wind, en al op jonge leeftijd kreeg hij – na in twee studierichtingen te zijn afgestudeerd – een verantwoordelijke functie bij een zorginstelling. De hobby van zijn vriendin, antieke poppen oplappen, maakte de ondernemer in hem los. Het geld stroomde binnen toen zij een methode uitvonden om nieuwe poppenkleertjes er als antiek uit te laten zien. “We konden ons geluk niet op. Het geld kwam met bakken tegelijk binnen, we hadden een mooi huis midden in het bos en we hadden ook nog eens zúlk leuk werk dat je het eigenlijk geen werk kon noemen.”

In de vroege uurtjes van 8 augustus 1988 sloeg, “totaal onverwachts”, het noodlot toe. Tom en zijn vriendin twijfelden de avond ervoor of ze wel fit waren voor een feestje van hun vriend. Ze gingen toch, en zijn vriendin reed terug. In de auto, het was inmiddels half vier in de ochtend, ruzieden ze wat over de paar borrels die zijn vriendin op had. Hoewel Tom zich alleen zorgen maakte over een eventuele alcoholcontrole, werd hij slachtoffer van een verschrikkelijk auto-ongeluk. “Tom was tijdens de aanrijding zo gruwelijk hard met zijn hoofd tegen de rand van het dashboard geslagen, dat zijn gezicht, van z’n voorhoofd tot aan z’n kin, compléét was weggeslagen. Omdat allebei zijn oogkassen waren versplinterd, hingen Toms ogen, als lepels, langs wat over was van zijn gelaat.” Overladen met schuldgevoelens nam zijn vriendin, die wonderwel niets mankeerde, de maanden erna de rol op zich van persoonlijk verzorgster. ‘De man van staal’, zoals De Kramer de ongelukkige noemt, herstelde van een coma, vele operaties, maar de hoofdpijnen hielden aan, ondraaglijke pijnen die hij – ten einde raad – besloot te bestrijden met heroïne. Zijn relatie liep op de klippen en “van de knappe, sterke en stoere ‘Hollandse Fonz’ was niets meer over dan een verslaafd, depressief en gefrustreerd hoopje mens”. Zijn buitensporige drugsgebruik had hem zo diep in de schulden gebracht, dat hij alles kwijtraakte. “Tom was veroordeeld tot een zwervend bestaan”, schrijft De Kramer. “Overdag slenterde hij, met z’n ziel onder de arm, over straat.”

Met alcohol weggespoeld verdriet

De andere pechverhalen die De Kramer in de goot aantrof gaan over in rook opgegane jongensdromen, ondraaglijke verliezen, op latere leeftijd opkomende psychoses en verkeerd afgelopen ondernemersrisico’s. Hoe meer verhalen je leest, hoe minder je de daklozen als losers ziet. Niet hun vermeende zwakte of luiheid maakt de zwervers tot zwervers, maar - weinig uitzonderingen daargelaten - ongeluk, verlies en pech. Het verdriet daarover spoelden, snoven of spoten zij weg met alcohol of drugs. Mensen die de maatschappij zijn ontglipt; een maatschappij van vroeg op, post openmaken, rekeningen betalen en werken voor je geld. Dagelijkse dingen die aan hun aandacht ontschoten, want hun grootste vaste last was niet meer hun huur of hypotheek, maar het verlies van alles waar zij aan hechtten. Het ondraaglijke verlies van hun leven.

Idealen die hem de das om deden
Een uitzondering is Salvatore Vaccaro. Hij heeft zijn miserabele bestaan volkomen aan zichzelf te danken. Het waren zijn idealen die hem de das om deden. Als werknemer bij de Fiat-fabriek in Turijn nam hij ontslag toen de autofabrikant in 1985 besloot om militaire tanktransportwagens te gaan produceren. Een keerpunt in zijn leven, voortaan zou hij als pacifist ‘de wereld gaan redden’. In de nacht van 9 op 10 augustus 2005 maakte hij het wel erg bont. Hij klom over het hek van de vliegbasis in Woensdrecht en maakte met een slopershamer twee F16-gevechtsvliegtuigen onklaar. De hamer waarmee hij de toestellen heeft bewerkt, zo meldt een actiesite, zou hij speciaal hebben gehaald in Assisië, de geboorteplaats van de heilige Franciscus, die veel mensen inspireert tot vredesacties. De stukgeslagen kernraketvliegtuigen beplakte Salvatore met kindertekeningen. “Als symbool voor leven versus de dodende kracht van F16’s.” Zijn vredesdaad werd bestraft met een boete van 750.000 euro. “Een bedrag dat hij niet kan en wíl betalen”, schrijft De Kramer. “Sindsdien zwerft Salvatore blootvoets door het land. Gekleed in de kleur van de vrede: wit. Zijn eten krijgt Turi van diverse winkeliers, die hem beschouwen als een held.”

De trouwjurk in de plastic tas

De andere portretten, met name die van licht verstandelijk gehandicapten en psychiatrisch patiënten, zijn zo bizar, dat medelij plaats maakt voor een lach. Jacqueline Albers, bijvoorbeeld, heeft altijd een bruidsjurk bij zich. In een plastic tas. Voor het geval dat ze op een zekere dag de ware Jacob tegen het lijf loopt. Tragischer is dat ze iedereen te goeder trouw is, ook de discipelen van de ‘kopen-op-kredietmarkt’. De Kramer: “Sommigen hebben meer dan honderd telefoonabonnementen op hun naam staan, omdat de reclame beloofde dat de telefoon gratis was.”

De etappe van onderkant naar bovenkant

Of neem Willem Koopman. “Eén van de meest belovende wielertalenten die Nederland ooit heeft gekend”, zo introduceert De Kramer deze dakloze. Het lot bepaalde echter anders. Willem raakte in een psychose en kwam er nooit meer uit. “Sindsdien fietst hij dag én nacht op een oude, gammele fiets rondjes door Rotterdam. Willem ziet het als zijn taak om de stadsgrenzen te beschermen. Want hij weet zeker dat, vroeg of laat, de Romeinen de stad zullen aanvallen.” Het is het verhaal van de wachter die de sleutel tot de stadspoort, het burgerlijk bestaan, is verloren. De gevallen wielerkampioen die te uitgeput is om de etappe van onderkant naar bovenkant van de samenleving te rijden.

Problemen voor de deur, liefde door het raam naar buiten
Zijn deze mensen nog te redden? Waarom lukt het toch niet altijd met begeleid wonen projecten, sociale werkplaatsen, budgetteringscursussen, resocialisatieprogramma’s en reïntegratiecoaches? Goede bedoelingen, subsidies en hulpverleners te over. Geert van de Berg, een ex-ondernemer die vier miljoen gulden per jaar omzet draaide, failliet ging en dakloos werd, haalt een gezegde aan. “Problemen voor de deur, de liefde door het raam naar buiten.” Het ongrijpbare waar geen beleidsprogramma tegenop gewassen is, niet in geld uitgedrukt kan worden, maar blijkbaar wel nodig is om grip op het leven te houden – en terug te krijgen.

De wereld achter ‘die rotcomputer’

Managementboek.nl, 5 april 2008
De wereld achter ‘die rotcomputer’


In november 2007 werd een 17-jarige jongen van zijn bed gelicht door de politie. De jongen had meubels gestolen. Geen fysieke, maar digitale. Desondanks vertegenwoordigden die pixels een waarde van 4000 euro.

Door Steven de Jong

Een actualiteitenrubriek versloeg de arrestatie. Het ging immers om een novum in de justitiële geschiedenis. “Altijd die rotcomputer van jou”, schold de moeder de jongen na.

Achter die rotcomputer ging echter een wereld schuil die voor de gemiddelde ouder niet te bevatten is. Terwijl de jongen zich in werkelijkheid opsloot op zijn zolderkamertje, wandelde hij virtueel met een karaktertje rond in Habbo Hotel.

Tieners kunnen in dit zogenaamde 'Massive Multiplayer Online Role Playing Game' vriendschappen sluiten, ruzie maken, verkering krijgen, pesten, hun kamer versieren, een uiterlijk aanmeten en die van dag tot dag weer veranderen.

Virtueel wordt realiteit

“Het heeft alles weg van het echte leven”, schrijven Jeroen Boschma en Inez Groen in hun boek ‘Generatie Einstein’, “alleen bij een misstap zijn de gevolgen niet desastreus en lig je niet direct uit een groep”. Althans, tot die novemberavond in 2007, toen een overijverig rechercheteam besloot, met medewerking van Habbo Hotel zelf, hier een testcase van te maken. Habbo Hotel heeft namelijk een eigen valuta, de Habbo-credtis, en die credits moeten met echte euro’s worden gekocht.

Wereldwijd gaat er in het digitale hotel zo’n vier miljoen euro per maand om. Dit soort gemeenplaatsen blijven voor ouders, leraren, zorginstellingen, politie en justitie nagenoeg onzichtbaar. Hun prioriteit ligt bij zaken die zij zelf kunnen waarnemen: een meisje dat geplaagd wordt op het schoolplein, een jongen die stiekem jointjes rookt of de tiener die het mobieltje van een klasgenoot jat. De virtuele wereld, waar kinderen soms wel vier uur per dag in ronddolen, vormt een vrijplaats voor allerlei ongein: Hyves-profielen bekladden, gemene foto’s op weblogs plaatsen, hate mail sturen en zelfs stelen, zoals in Habbo Hotel gebeurt. Wie zich als kind wil onttrekken aan ouderlijk toezicht, hoeft dus alleen maar zijn computer aan te zetten.

Unieke generatiekloof, nauwelijks interactie

Deze kloof tussen generaties is veel omvattender, unieker en complexer dan die tussen de babyboomers (geboren tussen 1945 en 1955) en de Generatie X (1960-1985). Terwijl het bij voorgaande generatiekloven ging om verschillen tussen identiteitsuitingen en maatschappelijke betrokkenheid, gaat het hier om nagenoeg gescheiden werelden. Werelden met andere instrumenten, plaatsongebonden contactmomenten en dynamische identiteitsbeleving. Maar met nog steeds dezelfde emoties omdat oerwaarden als trouw en rechtvaardigheid nu eenmaal menseigen zijn. Echter, het avontuur dat kinderen in Habbo Hotel, op MSN of in Second Life beleven kunnen zij nauwelijks delen met hun ouders.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat tieners van nu, tussen de 12 en 18, in real life botsen met de volwassen maatschappij. Dat botsen gebeurde natuurlijk altijd al, maar de krachten achter de botsing van nu zijn anders. Bij vroegere ‘generatieconflicten’ was er sprake van interactie tussen de generaties, van opstandigheid, het tarten van het gezag. Nu wordt de jongere generatie gekwalificeerd als ‘ongrijpbaar’. En om er toch nog duiding aan te geven, laten ouderen zich verleiden tot het plakken van etiketjes als lui, onverschillig en oppervlakkig. Begrijpelijk, als je ze ziet samenklonteren op hangplekken, comazuipen in zelfingerichte drinkketens of merkt dat ze nog geen kwartier de aandacht bij de les kunnen houden. Maatschappelijke betrokkenheid maken ze ook al niet te gelde. Althans, niet in lidmaatschappen van georganiseerde jongerenbewegingen.

Deze ongrijpbaarheid levert nogal wat vragen op. Voor opvoeders (hoe kun je kinderen waarschuwen voor gevaren die je zelf niet kent?), voor overheden (hoe kun je kinderen serieus laten nadenken over normen en waarden?), voor zorginstellingen (hoe krijg je kinderen aan het praten?) en bedrijven (hoe krijg je kinderen zover dat ze je producten kopen?). Kortom, een groot communicatievraagstuk. Hoe krijg je contact, hoe houd je contact?

Autofabrikant ziet kind als doelgroep

Groen en Boschma zijn als marketeers meester in kinder- en jongerencommunicatie. Hun vak is het leggen van contact tussen instantie en kind. De ene keer ontwikkelen ze bijvoorbeeld een anti-blow campagne in opdracht van het Trimbos-instituut, de andere keer een ‘Bizznizzkoffer’ in opdracht van de Postbank dat kinderen spelenderwijs met geld leert omgaan, en – niet geheel onbelangrijk – vertrouwd maakt met de blauwe leeuw.

Ondanks het gegeven dat kinderen nauwelijks eigen inkomsten generen en tekenbevoegdheid hebben, zijn ze als doelgroep voor commerciële organisaties enorm belangrijk. Er zijn eigenlijk drie redenen om een ruim marketingbudget vrij te maken voor deze doelgroep. Ten eerste omdat zestienjarigen zo’n 1,1 miljard euro per jaar vrij te besteden hebben (NIBUD Nationaal Scholierenonderzoek 2006/2007), ten tweede omdat kinderen meebeslissen over de bestedingen van hun ouders (zestig procent heeft inspraak bij het doen van de boodschappen; Jongeren 2005, Qrius) en ten derde omdat kinderen voor hun negende levensjaar al een sterke merkvoorkeur ontwikkelen (volgens hoogleraar Kind en Media Patti Valkenburg).

Wie als bedrijf de juiste snaar weet te raken kweekt dus klanten voor het leven. Deze wetenschap bracht General Motors er toe om meer dan tien procent van het marketingbudget te spenderen aan de doelgroep van onder de zestien jaar. Niet alleen omdat vijftien procent van de kinderen over het merk en type van de nieuwe auto van papa beslist, maar ook en vooral omdat het scheuren met speelgoedautootjes door de woonkamer een zekere invloed heeft op de merkvoorkeur in het volwassen bestaan.

‘Ze kijken naar reclame als reclamemakers’


De titel van het boek ‘Generatie Einstein’ geeft eigenlijk al aan waar de schoen wringt. Dit zijn niet zomaar klanten, geen makke schapen, maar uiterst sluwe, berekenende consumenten. Zij zijn “slimmer, sneller en socialer”, beweren Groen en Boschma. De auteurs zijn uitermate enthousiast over de vaardigheden van de 12- tot en met 18-jarigen. Een welkom tegengeluid natuurlijk, gezien eerdere typeringen als knip-en-plak-generatie, steeds-meergeneratie, patatgeneratie, duimgeneratie en Fox Kidsgeneratie. Zo enthousiast zelfs, dat je je bijna begint af te vragen of het doel van de auteurs – die in hun dagelijks leven hun brood met jongerenmarketing verdienen - niet zozeer is om een sociologische studie te doen, maar enkel en alleen om de jongeren als doelgroep “te verkopen” aan toekomstige opdrachtgevers. Maar goed, al zou dat zou zijn, de beschrijvingen zijn zo raak en van het gehalte ‘de spijker op de kop’ dat ieder protest gesmoord wordt. Hun belangrijkste les is dat de jonge consument weet van de hoed en de rand: “Ze lezen nieuws als journalisten, ze kijken films als regisseurs en kijken naar reclame als reclamemakers.”

De typeringen die de auteurs aan deze generatie geven zijn opmerkelijk. De ‘ongrijpbare generatie’ zou trouw zijn. “Want in een wereld die groter en commerciëler wordt, zijn jongeren op zoek naar een veilige plek. Trouw speelt in relaties daarom een grotere rol dan bij voorgaande generaties.” Daarnaast zijn ze zakelijk: dankzij een overload aan media-inspanningen gericht op jongeren, “hebben zij geen enkel geduld meer met allerlei niet terzake doende onzin – als de informatie niet heel snel en handig te vinden is, dan hoeft het niet meer.” Verder zouden jongeren op zoek zijn naar intimiteit. “Zij kiezen regelmatig voor thuiszitten met vrienden of familie en vertier dicht bij huis.” De ‘Generatie Einstein’ is zogezegd gericht op kwaliteit en functionaliteit.

Jonge consument is authentiek en verwacht authenticiteit

Die kwaliteit zit ‘m ook en vooral in hun moreel besef. Als centrale waarden van de ‘Generatie Einstein’ benoemen de auteurs: authenticiteit, respect, zelfontplooiing en eer. “Die authenticiteit verwachten zij ook van anderen: een hippe, grappige leraar die zijn vak niet verstaat, dwingt geen respect af bij jongeren. Een bedrijf dat hip doet, maar het niet is, valt acuut door de mand en verliest respect.” Aan ‘respect’ geven zij een andere invulling dan hun ouders: het gaat niet om het automatische respect dat oudere mensen verwachten op basis van leeftijd of positie in de maatschappij, maar respect voor, bijvoorbeeld, iemand die een knap kunstje kan op een skateboard dat hijzelf heeft bedacht. Respect is voor de ‘Generatie Einstein’ zogezegd geen vanzelfsprekendheid maar iets dat je moet verwerven. De competitieve instelling die hieruit voortvloeit zien we terug in de populariteit van Idols en het ‘pimpen’ van telefoons en internetprofielen.

Zelfontplooiing is volgens Groen en Boschma “het hoogste goed” van de autochtone jongeren. En daarom zou het niet belangrijk zijn hoeveel geld je ermee verdient, maar hoeveel je ervan leert en of je er gelukkig van wordt. “Zelf bepalen wat kwaliteit, wat goed werk afleveren is, vinden zij belangrijker dan wat hun baas ervan vindt.” Tenslotte vormt ‘eer’ een kernwaarde, zowel in zedelijk opzicht als in materialistisch opzicht (statusverhogende activiteiten en producten). Met een Tommy Hilfiger-outfit kun je bijvoorbeeld laten zien dat het je goed gaat.

Wat werkt wel, wat werkt niet?

De jongerenmarketing, het dichten van de kloof tussen bedrijf en kids consumers, blijkt dusdanig ingewikkeld dat doordachte concepten plotseling mislukken (jongeren die de grote sponsoren van evenementen niet onthouden) en andere initiatieven een onbedoeld effect sorteren. Van dat laatste geven Groen en Boschma een interessant voorbeeld. “MSN en sms waren niet speciaal voor de jongere doelgroep ontwikkeld, maar juist voor de zakelijke markt. En zijn massaal opgepikt en tot een succes gemaakt door jongeren.” Het woordje ‘door’ is in dezen belangrijk. Wie de gunst van de jongere wint, krijgt ze niet alleen als consument maar ook als vertegenwoordiger. Consumenten die hun identiteit ontlenen aan een mix van bewust geselecteerde merken. Niet om erbij te horen, maar om zich te onderscheiden.

Niet iedereen is blij met deze positieve typering. Aanvoerder van de ‘tegenbeweging’ is bijvoorbeeld Benjamin R. Barber, een vooraanstaand Amerikaans politicoloog, die de huidige generatie consumenten, en vooral de jongeren, bestempelt als “infantiel”. Hij beschuldigt “de generatie die merken beleeft” van een gebrek aan een ethos van verantwoordelijkheid, hard werken en uitgestelde behoeftebevrediging. In zijn boek ‘De Infantiele Consument’ (2007) typeert hij de moderne consument als individu dat bevangen is door “narcisme, privatisering en infantilisering”. Dat is dodelijk voor de democratie, maar ook – uiteindelijk - voor het kapitalisme zelf, beweert Barber. Deze politicoloog verbloemt niet dat hij een nostalgicus is, een pleitbezorger van traditionele bureaucratische instituties. En dat is nu juist waar de jeugd van tegenwoordig een broertje dood aan heeft. “Een mening hebben, daarvoor uitkomen, met elkaar discussiëren over allerlei maatschappelijke thema’s, heeft dan ook niet automatisch tot gevolg dat ze zich aanmelden bij de instellingen die deze thema’s in hun portefeuille hebben”, schrijven Boschma en Groen.

Nieuwe wereldorde?

Wie er gelijk heeft doet er niet zoveel toe, simpelweg omdat ‘het gelijk’ van de ‘Infantiele Consument’ en die van ‘Generatie Einstein’ als percepties samen een eigen werkelijkheid vormen. Een werkelijkheid van generaties die elkaar niet begrijpen, traditionele bedrijven en overheden die geen grip krijgen op consument en burger en miljoenen jongeren die onderling een parallel, digitaal universum vormen. Zij die los van traditionele instituties willen functioneren. Indien ze dat ook lukt in hun volwassen bestaan als decision makers dan hebben ze als jeugd niet alleen de toekomst, zoals Groen en Boschma bescheiden opmerken, maar scheppen ze tegelijkertijd een nieuwe wereldorde. Niet gestoeld op conventionele samenwerkingsverbanden, maar op basis van moderne communicatiemiddelen die iedereen toegang verschaft tot de publieke zaak en economische markt. Een wereld waarin producten niet meer in etalages liggen en wetten niet meer in het parlement worden gemaakt. Een wereld die ouderen omschrijven als “die rotcomputer”.

Deugt de burger?

Managementboek.nl, 21 maart 2008
Deugt de burger?


We staan er niet bij stil, maar wie ‘even boodschappen doet’ heeft zich te houden aan tientallen regels en omgangsvormen. Van betaald parkeren tot ‘dank je wel’ zeggen bij de kassa. De publieke ruimte is nagenoeg dichtgeregeld. En toch zijn we terug bij waar de klassieken ooit begonnen. Het definiëren van de deugden.

Door Steven de Jong

Deugt de burger eigenlijk wel? Die vraag legde de Nationale Ombudsman neer bij het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie. Jazeker, concludeerde dit instituut. In 2006 is slechts 1,34% gepakt of bekend geraakt bij het Openbaar Ministerie vanwege een misdrijf.

Absolute grens tussen deugd en ondeugd

“Dat betekent dat op jaarbasis ruim 98% van de burgers deugt”, merkte de Ombudsman fier op in haar jaarverslag over 2007. Om vervolgens de overheid er van langs te geven. “Bij beleidsvorming wordt zelden rekening gehouden met het feit dat naar verhouding zo weinig burgers niet deugen. Ten onrechte, want de burger verdient vertrouwen.” Deugdzaam zijn wordt hier gelijkgesteld aan het niet overtreden van wetten en regels: het Wetboek als absolute grens tussen deugd en ondeugd.

Het denkkader van de klassieken

De deugdenethiek, daarentegen, heeft niet zoveel op met meetbare indicatoren als criminaliteit. Deze leer stelt het praktisch handelen boven wetten en regels en hanteert de klassieke en theologische deugden als denkkader. Klassieke deugden zijn bijvoorbeeld voorzichtigheid, rechtvaardigheid, gematigdheid en moed. De laatste riep Aristoteles uit tot voornaamste deugd. Hij stelde dat de deugd een karaktereigenschap is. Moed als onontbeerlijke eigenschap op het slagveld, de bereidheid om je leven op te offeren voor de gemeenschap.

Thomas van Aquino benoemde in de dertiende eeuw de drie deugden van het christendom; geloof, hoop en liefde. Hij stond aan de basis van de redenerende theologie en maakte als eerste theoloog onderscheid tussen het goddelijke en het menselijke recht. Voor zijn tijd was hij een verlichte geest: het menselijke recht dat uit de rede voortkomt hoefde volgens hem niet te wijken voor Gods genade.

Deugd weer in het middelpunt van de belangstelling


De deugd, gedefinieerd als het goed zijn in zedelijke zin, staat in het Nederland van de jaren nul weer in het centrum van de belangstelling. Met dank aan de kabinetten Balkenende I, II, III en IV. De regering die normen- en waarden tot onderwerp van publiek debat heeft gemaakt en burgers aanspoort om samen te bepalen wat goed is, of beter gezegd: wat burgerschap is. Krachten achter dit debat zijn de problemen rondom integratie en de zogenaamde verloedering van de samenleving. De kern: wetten en regels zijn niet voldoende, er is meer nodig voor een prettige samenleving, nieuwe afspraken moeten worden gemaakt.

Vrijheidsbeleving van het afgekeurde gedrag

Waar deugden een universeel karakter uitademen, daar zijn afspraken – veelal gebaseerd op deugden – plaatsgebonden. Dat leidt weleens tot onaangename tegenstellingen. De botsing van culturen bijvoorbeeld, zoals die optreden bij migratie, maar ook in de dagelijkse praktijk. Zo vertelde een bevriende hotelmedewerker mij eens mee dat zijn baas de kosten van bevuilde kamers declareerde bij het bedrijf waar zijn zakelijke gasten werkzaam zijn. Een grotere vernedering – dus straf – is niet denkbaar. ‘Zeg Jan, hoe zit dat met die volgekotste plee, die kapotte spiegel en die flessen wijn waar je het vloerkleed mee besmeurd hebt?’ Dat valt niet uit te leggen als registeraccountant van een gerenommeerd kantoor.

Dit voorbeeld gaat over keurige, ogenschijnlijk deugdzame burgers die zich, eenmaal ontdaan van bedrijfscodes en algemene fatsoensnormen, overleveren aan uitbundig gedrag in de hoop dat hun corrigerende omgeving, hun natuurlijke habitat, er niet mee geconfronteerd wordt. Het is de vrijheidsbeleving van het onaangepaste, afgekeurde gedrag.

Een meer georganiseerde vorm van deze uitlaatklep vinden we in het hooliganisme. Volgens Paul van Gageldonk (‘Hand in Hand’, 2006) bevinden zich tussen dit schorem van kleine criminelen ook keurige huisvaders. Datzelfde contrast hebben de makers van ‘Green Street Hooligans’ in 2006 op het witte doek gebracht. De hoofdpersoon, een van Harvard afgetrapte student journalistiek, wordt gegrepen door oerwaarden als loyaliteit, eer en eigenwaarden. Dat de uiting van die waarde de norm ‘stand your ground and fight’ betekent is slechts bijzaak. Dat krijgt hij ook te horen van een bendelid, een geschiedenisleraar die in het weekend zonder gewetenswroeging een knuppel in de schouder van een rivaliserende hooligan legt. Zolang zijn leven als brave dorpsonderwijzer maar niet verstrengeld raakt met de erecodes van de hooligans is er geen probleem.

Bevrediging van impulsief opkomende behoeften

Met een beetje compassie kun je de parttime hooligans en misdragende zakenmensen vitaliteit toedichten. Zij bezitten het vermogen zich aan te passen aan een andere omgeving, hun normen- en waardepatroon 180 graden te draaien. De filosoof Immanuel Kant (1724-1804) zou hen echter beschuldigen van nihilisme. Nihilisme, niet zoals Nietsche het bedoelde of zoals het later door filosofen is ingekleed, maar zoals het in de volksmond beklonken ligt: het onvermogen of de onwil om een eigen moraal te ontwikkelen en daar naar te handelen. Ofwel, een totaal gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef gestoeld op een continu bevrediging van impulsief opkomende behoeften.

Nadenken over consequenties van handelen
Kant propageerde het zedelijk bewustzijn. Dat ieder mens over de consequenties van zijn handelen moet nadenken. Niet op het causale, maar op het universele niveau. Over wat er zou gebeuren als jouw handelen tot algemene wet wordt verklaard. Denk bijvoorbeeld aan het lenen van geld in de wetenschap dat je het niet terug kunt betalen. Kun je het dan maken een belofte te doen die je niet kunt nakomen? In Kants ogen niet: dat zou betekenen dat de belofte, in welke situatie dan ook, aan betekenis verliest.

De Duitse filosoof had ook een praktische aansporing voor zijn allesomvattende leefregel, beter bekend als de categorisch imperatief. “Handel zo dat je de mensheid, zowel in je eigen persoon als in de persoon van ieder ander tegelijkertijd altijd ook als doel en nooit alleen als middel gebruikt.” Om kort te gaan: Kant waarschuwt dat het individu op een zeker moment altijd de rekening gepresenteerd zal krijgen, en dat dat moment niet hoeft samen te vallen met de situatie waarin het individu zich heeft misdragen. Zoals de hotelgast die op zijn werk wordt geconfronteerd met de verbouwde hotelkamer.

Rijk der Doeleinden


In het dagelijks leven wordt de leefregel van Kant met voeten getreden. Het voordringen bij de kassa, luid bellen in de trein, het bevuilen van de straat. In al deze situaties gebruikt de mens zijn omgeving als doel. In het meest negatieve scenario leidt dit tot wat we ook wel de ‘verloedering van de samenleving’ noemen. Precies het tegenovergestelde van wat Kant beoogde: een Rijk der Doeleinden. Een soort hogere,  morele wereld die de zintuiglijke werkelijkheid overstijgt. De hemel op aarde, voor wie Kants gedachtegang als iets religieus ervaart.

Calculerende burgers

Goed, even terug naar het hier en nu. Voeten van de bank, en op de grond. Wat Kant nastreeft is in de taal van politici en beleidsmakers gewoon ‘goed burgerschap’. Burgerschap als gedeeld geweten, een gedeeld bewustzijn. En burgerschap als een stukje identiteit van eenieder. De Sire-kreet ‘De maatschappij dat ben jij’ is daar een treffend voorbeeld van.

Dat burgerschap komt echter niet vanzelf tot stand. Waar Kant dogmatisch was in zijn persoonlijk geweten, daar zijn burgers vooral calculerend. In de auto houden zij zich in de regel aan de maximumsnelheid, maar als er haast in het spel is schiet de meter zonder pardon in de verboden zone. Bij haast, zo moet de redenering zijn, is het dan niet in het eigenbelang om het algemeen belang te dienen. Aan Kants bewering dat het altijd in het eigenbelang is om het algemeen te dienen, hebben zij een broertje dood.

Corrigerende burgers

Getuige de flitsmeldingen op de radio en navigatiesystemen, laten burgers zich veel gelegen aan het corrigerende vermogen van de omgeving. Soms in de rol van de staat, als vertegenwoordigend orgaan, soms in de rol van medeburgers. Een voorbeeld: op 11 maart 2008 riep NS-directeur Aad Veenman in dagblad De Pers reizigers op om actiever op te treden tegen ordeverstorend gedrag. En dan met name luid bellen. Dat is volgens de Consumentenbond ergernis nummer één is in de trein. “Als u ziet hoeveel mensen om een beller heen zitten en hoeveel keer de conducteur voorbijkomt, dan is het het meest effectief als de omgeving dat doet”, zei Veenman tegen de verslaggever. De NS-topman zegt een toename te zien in het aantal mensen dat anderen corrigeert, vooral in de stiltecoupe. “Mensen zeggen gewoon: u heeft het niet in de gaten maar het is een stiltecoupé.”

De geschiedenis leert dat dit helpt. Ooit heeft er in Engeland bijvoorbeeld iemand besloten dat men op de roltrap aan de rechterkant stil mag staan en links mag inhalen. Bordjes zijn daarvoor niet nodig. Wie toch links stil staat, voelt namelijk de woedende ogen in zijn rug priemen en kan er donder op zeggen dat hij op zijn schouder getikt wordt.

Toch blijven we met een probleem zitten. Burgerschap is niet zomaar de overtreffende trap van wet- en regelgeving. Het laatste is repressief, terwijl het eerste zowel actief (moeite doen om deugdzaam te zijn) en passief (niet buiten de groep vallen) is. Volgens de Nationale Ombudsman kan een te harde aanpak burgers zelfs van het burgerschap afdrijven. Als de overheid continu spreekt van ‘lik-op-stuk’-beleid gaan ambtenaren burgers ook ‘lik-op-stuk’ behandelen. Het wantrouwen regeert. Volgens de Ombudsman is dit funest, “want het grootste deel van de mensen deugt”. De kern van de zaak: “Burgerschap kan zich alleen ontwikkelen wanneer de burger op een waardige wijze wordt aangesproken en betrokken wordt bij de publieke zaak.”

Het verzilveren van burgerschap

De Nationale Ombudsman refereert in haar jaarverslag jaloers naar Amerika en Frankrijk. Daar heerst een volkssoevereiniteit van ‘we the people’ en ‘au nom du peuple’, terwijl in Nederland een ‘wij het Nederlandse volk’ ontbreekt. Het vitale burgerschap zoals de Amerikanen en Fransen kennen moet hier verstevigd worden, aldus de Ombudsman. Of, beter gezegd, telkens opnieuw uitgevonden worden. Zijn grote wens laat zich gemakkelijk raden, het prijkt als titel op de cover van het jaarverslag. ‘Burgerschap verzilverd’, als alom aanwezig iets wat nog moet neerdalen in de kleibodem. Een grondgebied dat telkens door nieuwe voeten betreden wordt, waar nieuwe afspraken gemaakt moeten worden.

De publieke ruimte is verkaveld in achtertuinen

Managementboek.nl, 7 maart 2008
De publieke ruimte is verkaveld in achtertuinen


In februari 2002, drie maanden voordat de Fortuyn-revolte in 26 zetels uitbetaald werd, was ik in Felix Meritus toeschouwer bij een debat tussen een jong PvdA-kandidaat-Kamerlid en een door de wol geverfde VVD-kandidate. De eerste had het te pas en te onpas over "het volk", waarop de ander hem kapittelde met de sneer dat hij nog veel moest leren. "Over het volk praten wij niet meer, wij hebben het over de burger!"

Door Steven de Jong

Ze had gelijk. Het volk was op dat moment al dood en in ontbinding. De burger had zich losgeweekt. Want zoals een Belspel-presentatrice de illusie kan wekken dat jij de enige ‘slimmerd’ bent die om half vier 's middags het antwoord op een raadsel weet, zo kunnen politici zich via de beeldbuis tot de burger richten alsof hij de enige is die het land kan redden van de ondergang.

Nu, zes jaar later, heeft ook de burger afgedaan. Wandel een willekeurig gemeentehuis in en je wordt aangesproken als klant. Op informatieborden, in brochures en op het ticket waarop je volgnummer staat. De burger is tegenwoordig klant van de gemeente, klant van de politie, klant van het CWI en klant van de Belastingdienst.

Het doet me denken aan het lied 'De Buurtsuper' uit 1995. Daarin persifleerde de grote volkskomiek André van Duin op treffende wijze de kleine kruidenier. Van Duin was allervriendelijkst tegen zijn klanten, fantaseerde bij elke klantvraag een uitgebreid assortiment, maar viel keer op keer door de mand. Van Duin was servicegericht, maar kon – hoe graag hij ook wilde - geen echte service bieden. “Ik heb alleen een winkelbel”, zo verontschuldigde hij zich met een glimlach.

Twaalf jaar later moeten we constateren dat Van Duin niet zozeer de kleine kruidenier persifleerde, maar eerder de moderne ambtenaar. De ambtenaar die de burger op het voetstuk van de klant heeft gehesen, maar uiteindelijk – net als Van Duin – vooral ‘nee’ moet verkopen. De moderne ambtenaar blijkt degene die, als het erop aan komt, alleen maar een winkelbel heeft.

En toch houden burgers, met enige tegenzin, de moed erin. Dag in dag uit stappen zij met te hoge verwachtingen het gemeentehuis binnen, en gedragen zich als klanten die bij de Mediamarkt een flatscreen TV gaan kopen. Maar waar de sketch van André van Duin eindigt in een vrolijk "Goeiemorgen. Goeiemiddag."-refrein, daar vliegen de burger en de ambtenaar elkaar in de haren. ‘Nee’ wordt verkocht, maar niet getolereerd.

Zou het beter zijn als we de term klant maar helemaal afschaffen in overheidsland? Dat is te betwijfelen: een burger die een kapvergunning aanvraagt bij de gemeente mag zich volgens mij best als klant gedragen. Als burger is hij uitonderhandeld met de overheid, want het vaststaande beleid bepaalt of hij wel of niet de bijl ter hand mag nemen. De uitvoering staat op dat moment centraal, en dan past het de ambtenaar niet om over het wel en wee van de boom te delibereren. Wie als gemeente de burger in dit soort situaties een klant noemt en servicenormen belooft, organiseert een prikkel tot het verlenen van correcte dienstverlening. Prima dus.

Maar hoe zit het met bewoners van volkswijk De Kruiskamp in Den Bosch. Zij werden betrokken bij de besluitvorming over de plaatsing van een opvanghuis voor drugsverslaafden in hun wijk en maakten van de inspraak gebruik om de burgemeester te waarschuwen dat "de fik" erin zal gaan. Die fik ging er ook in op 22 februari 2008, en het heeft er alle schijn van dat de bewoners hier hun stem hebben laten gelden met een jerrycan benzine. "In een democratie is dit niet de manier om je gelijk te halen", aldus burgemeester Rombouts op het Journaal. "Hiep, hiep, hoera, dat het is afgebrand", jubelde een mevrouw voor de camera, "en ik hoop niet dat er iets voor terugkomt."

Is dit nu een voorbeeld van de negatieve kant van klantverwording van de burger? Het individu dat altijd 'waar voor zijn belastinggeld' wil hebben? Van de klant die in woede uitbarst als hij in de winkel die hier democratie heet met lege handen heen gestuurd wordt? Het zal geen gemakkelijke opgave voor burgemeester Rombouts zijn, maar hij zal de insprekende burgers toch eens uit moeten leggen dat je bij hem als verkoper van beleid soms ook weleens een kat in de zak koopt. Dat is niet zozeer Rombouts aan te rekenen, als wel De Kruiskampers. Bewoners die met hun klantnihilisme het burgerschap van redelijkheid en incasseringsvermogen de nek om draaien.

Voor overheden, met name gemeenten (met enerzijds een uitvoerende, anderzijds een beleidsontwikkelende taak) wordt het tijd eens goed na te denken over wanneer je de bewoner een klant noemt en wanneer een burger. Om duidelijk te maken dat inspraak niet automatisch leidt tot afspraak. Dan zal de burgerklant inzien dat zijn achtertuin omheind is door publieke belangen.

Vestingstad in verandering

Managementboek.nl, 26 februari 2008
Vestingstad in verandering


"Moderne, complexe samenlevingen balanceren op de grens van chaos en orde", schrijft Geert Teisman in zijn boek over publiek management. "Er is behoefte aan orde, maar tegelijkertijd bestaat er weerstand tegen een overdosis aan regels en wetten. Er is behoefte aan innovatie, maar ook angst voor ongewenste ontwikkelingen."

Door Steven de Jong

Orde, chaos en angst voor ongewenste ontwikkelingen dus. Met deze abstracties in mijn achterhoofd, deed ik zaterdag het stadje Gorinchem aan. Dat was niet gepland. Nee, ik moest gewoon even wat eten en Gorinchem lag op de weg naar huis. Nooit eerder was ik er geweest, en aangezien ik mijn column nog moest schrijven voor dit weekend, begon ik de indrukken in mij op te nemen en te toetsen aan mijn beeld over Gorinchem.

Aanname

In Gorinchem, of Gorkum zoals het dikwijs uitgesproken wordt, is de 'stille tocht' uitgevonden. Althans in mijn – door journaalbeelden en krantenberichten ingegeven - beleving. In 1999 waren er namelijk 30.000 mensen op de been, zo'n beetje alle bewoners, om hun afkeer kenbaar te maken van een fatale schietpartij in een discotheek waarbij twee meisjes het leven lieten. De verdachten waren Turken, en zo kreeg het incident alle ingrediënten die voor nationale beroering nodig zijn. Het begin ook van strenger toezicht, zoals fouilleren en camera's, in het uitgaansleven en de opname van 'zinloos geweld' in het volksvocabulaire. Gorkum viel me daarna steeds vaker op in het nieuws, en dat bedoel ik niet in positieve zin.

Orde

Op deze zaterdagmiddag werd ik echter niet – niet direct althans - in mijn aannames bevestigd. Afslag 28 van de A15 spuwde mij in een klein, maar prachtig stadje uit. Aan de rand grote kantoorgebouwen, binnen de bebouwde kom keurige rijtjeshuizen, een ziekenhuis, het stadhuis, een winkelcentrum dat luistert naar de naam 'Plaza'. En daarna een sluis, een stadsgracht met woonboten en uiteindelijk de historische stadskern, met alle parkeerproblemen en eenrichtingsweggetjes van dien. Een soort Gouda, maar dan dorpser. Gorkum heeft ook alles wat een dorp, en niet alleen omdat het slechts beschikt over vijfendertigduizend inwoners, in deze tijd hoort te hebben. Want ook hier is de homogenisering toegeslagen van de Bakker Bart's, de Blokkers, de ABN Amro's, de Hema's en detailwinkels die de grote namen dragen van Tommy Hilfiger en Etam.

Gorkum moet het van zijn historie hebben, zo viel me op. Hoe indrukwekkend de recente architectonische uitspattingen ook zijn, het staat in schril contrast met de gemoedelijkheid die de Grote Markt, het centrale plein, uitstraalt. Waar het moderne Stadhuisplein slechts dienst doet als parkeerplaats, daar is de Grote Markt een bruisend gebied van cafeetjes en restaurants rondom een fontein die in 1898 is gebouwd ter gelegenheid van de troonbestijging van koningin Wilhelmina.

Aan dat plein ben ik gaan eten. In 'Eet- & Drinkerij 't Oude Stadthuys'. Gevestigd in, jawel, het oude stadhuis, een statig pand uit 1860 dat tevens onderdak biedt aan een museum en Artotheek. Een verademing vergeleken met de AC-wegrestaurants en stationsrestauraties die ik normaal weleens aan doe. Deze mensen zijn noch onderweg noch thuis. Het etablissement is halfleeg, en de leegte wordt ingeruimd om gepaste afstand – minstens een tafeltje – van elkaar te nemen. Geen bulderlachen hier, maar bescheiden gemompel, onverstaanbaar, gesprekken van mens tot mens. Tegen een decor van kroonluchters, ook al zijn ze van kunststof, bescheiden achtergrondmuziek en schilderijen consumeer ik hier 'een tomatensoep van het huis', wat stokbrood met kruidenboter en een rode wijn.

Chaos

Buiten is de avond gevallen, kerkklokken beieren het negende uur in. Het winkelende, kwebbelende publiek heeft de straat overgedragen aan smoezende clubjes verveelde hangjongeren. Een blokje om doet mij beseffen dat veel panden leeg staan; te huur, te koop of afgeplakt met kranten. Hier en daar een dichtgemetseld kozijn. Makelaardij WoonVisie adverteert met de slogan “Het snelst groeiende kantoor”. Uit een restaurant komt een Turkse ober. Hij spreekt een jongen aan en vraagt waarom hij met een papierprikker en vuilniszak loopt. “Ik heb een taakstraf”, verklaart hij. “Waarom jij niet gewoon werken, zoals ik?”, luidt de vermanende wedervraag. Terwijl ik stapvoets de binnenstad uitrij wordt ik nagekeken en zelfs een keer provocerend tegengehouden. De straat is overgedragen aan de allochtoon, de Gorkummer zit thuis voor de buis. Of binnen in ‘’t Oude Stadthuys’.

Angst

Thuis download ik de beleidsnota 'Wonen in Gorinchem 2005-2015, horizon 2025'. Na het voorwoord van de wethouder - met lovende kreten als "naar volle tevredenheid", "volop recreatiemogelijkheden", "groene omgeving" en "aantrekkelijke historische binnenstad", komen in de analyse de minpuntjes boven drijven. Ik citeer: "Vanaf 2000 vertrekken er meer personen uit Gorinchem dan er zich vestigen. Vooral de vestiging van personen in gezinsverband laat een negatieve trend zien." Het aandeel productieven (20-64 jarigen) zal afnemen ten opzichte van de jongeren (0-19 jarigen) en de ouderen (65+). "Een verhoging van de demografische druk", luidt de zorgwekkende voorspelling.

Een fors aantal bladzijden zijn ingeruimd voor allochtonencijfers. Dat is blijkbaar een aparte doelgroep voor de gemeente Gorinchem. "De situering van (met name de niet-westerse) allochtonen is ongelijk over de stad verdeeld”, klinkt het zorgwekkend. “In het westelijke stadsdeel, en hiervan met name de Haarwijk, zijn de meeste allochtonen woonachtig." Een van de volgende paragrafen verhaalt over ‘Criminaliteit en veiligheid’. De zorg wordt geuit: “Het zich veilig voelen in het eigen woondomein is van uitermate groot belang. Criminaliteit, bedreigingen en zinloos geweld in en rond de woning vormen daarop een aanslag.” Apaiserend: “Vaak is de ervaren onveiligheid groter dan op grond van de statistieken verondersteld wordt.”

Het is duidelijk, ook Gorkum balanceert op de rand van orde en chaos. De ogenschijnlijk hechte, homogene gemeenschap blijkt in werkelijkheid te versnipperen onder druk van vergrijzing, uitstroom van jongeren en concentratie van allochtonen. De toeristische stadswandeling leidt de aandacht van de toevallige voorbijganger naar gevels en monumenten, maar wie een blokje om loopt ziet de makelaarsborden als teken aan de wand. De vestingstad is in verandering, maar ontbeert de veerkracht om de vrede te bewaren.

Bunker van burgerschap

Managementboek.nl, 18 februari 2008
Bunker van burgerschap


"Volle bak!" Een dame van middelbare leeftijd beent brasserie 'Achterom' in Berkel en Rodenrijs binnen. Ze neemt met haar vriendin plaats aan de tafel achter mij. De mevrouw gedraagt zich alsof ze haar eigen woonkamer betreedt, zoals iedereen zich hier gedraagt alsof het hun thuis is.

Door Steven de Jong

Ik ben niet thuis, maar onderweg. "Op doorreis", flapte ik eruit toen de kapster, even verderop, vroeg of ik vanmiddag terug kon komen en ik naarstig naar een alibi zocht voor mijn onaangekondigd bezoek aan de besloten gemeenschap die Berkel en Rodenrijs is.

De brasserie in Berkel en Rodenrijs, eetcafé zo u wilt, is niet bijzonder, niet ongewoner dan andere brasseries in den lande. Het achtergrondgeluid wordt gedomineerd door geschuif van stoelen, gerinkel van sleutels, gegorgel van een koffiezetapparaat, geklingel van kopjes, gepiep van ovens, geknetter van bradend vlees.

Op een andere golflengte klinkt het gemompel van mensen die iets te bespreken hebben, geschreeuw van kinderen die iets willen. Donkere mannenstemmen, hoge vrouwenstemmen, het uithalen van een lach. Naast mij wordt het wel en wee van de lokale amateurvoetbalclub besproken. “Dan hebben we dadelijk ook een probleem dat ik een scheidsrechter minder heb”, vang ik op. Het is een gemêleerd gezelschap van dochters met bejaarde moeders, zakenlieden, vrouwen met kinderen, collega's van nabijgelegen kantoren en winkelende vriendinnen.

Kliekjes

Dit alles tegen de achtergrond van het dorpsplein. Een modern decor van beige bakstenen, en - midden op het dorpsplein - een spiraalvormig kunstwerk op blauwmetalen staven. De winkels, waaronder The Phone House, de Marskramer, de keurslager en de juwelier, onderscheiden zich van elkaar met de inrichting van etalage en vormgeving van logo, maar de afmetingen van hun uithangborden zijn keurig op elkaar afgestemd. Anderhalve meter breed, een halve meter hoog. Ongetwijfeld zal er uitgebreid over beraadslaagd zijn in de gemeenteraad. Een mevrouw wandelt voorbij met een tas van C1000. Dát is Berkel en Rodenrijs ten voeten uit. Op een zonnige februarivrijdag omstreeks 12 uur 30. Tussen de middag, zoals dat in de volksmond heet.

‘Is dit nu de Nederlandse identiteit?’, zo vraag ik me af terwijl ik van een warme tomatensoep met prei en slagroom geniet. En zo ja, waarom voel ik me hier dan niet thuis? Berkel en Rodenrijs is toch een dorp als alle andere? In niets lijkt het zich te onderscheiden van Schagen, Purmerend of Woudenberg. Maar plotseling herinner ik me een ingezonden stuk in Trouw van een aantal maanden geleden. "Nederland is een land van kliekjes en netwerken", schreven twee Turks-Nederlandse organisatiedeskundigen. "De informele cultuur zonder duidelijke hiërarchie zorgt ervoor dat nieuwkomers erg moeilijk een plaats vinden in de Nederlandse samenleving", verklaarden de consultants van organisatieadviesbureau Berenschot.

Maaiveld
Hoewel het hier in Brasserie 'Achterom' een rumoer van vanjewelste is, ligt het maaiveld er vandaag laag bij. De zakenmannen tegenover mij zijn niet eerder aan de beurt dan de sjofel geklede vrijwilligers van de lokale voetbalclub naast mij. Af en toe vang ik iets op dat voor volzin moet doorgaan. “Dat hoorde ik van Arie. (..) Kwart voor twaalf verzamelen. (..) Je ken toch niet te hard rijen achter elkaar. (..) Kun je nog een beetje schuiven wou je zeggen.” Eten en drinken doen ze ongemanierd, maar niemand die erop let.

De zakenlunch die tegenover mij genoten wordt geeft een geheel andere aanblik. Deze gasten blijken van een andere klasse in de samenleving. Ze dragen een pak, vegen hun mond met servet af. De een heeft zijn bestek al gesloten neergelegd met de heften wijzend naar tien voor half vier. De ander bewerkt zijn bord nog alsof hij een archeologische vondst aan het determineren is. Kalm spreekt de een zijn zinnen uit. De ander beantwoord ze met beleefde knikjes. De derde meneer, een man met grijze slapen en donker colbert, rekent ondertussen af bij de kassa. Zijn portemonnee trekt hij alsof hij achteloos door zijn haar strijkt. De heren fatsoeneren hun kleren en vervolgen hun weg.

Stamgast

De tafel wordt afgeruimd door een jongen met een rode schort. Is hij nu dienstbaar voor het zojuist vertrokken gezelschap, of gaan zijn klantvriendelijke gedachten al uit naar de volgende, nog onbekende klant? Die klant komt een kwartier later binnen. Drie plastic tassen sjouwt hij mee. Een met de opdruk van C1000, een met blauwe spikkeltjes en een met het logo van Kruidvat. Zijn verfomfaaide rugtas, van minstens tien jaar oud, drapeert hij op de grond, in de weg. In de tassen zitten geen spullen, zo te zien, uit genoemde winkels.

“Moet je wat drinken Jan?”, vraagt de serveerster die hem blijkbaar kent. Jan heeft net de Telegraaf opengeslagen, zijn neus opgetrokken en de bril in het ongekamde haar geschoven. Hij kijkt verstoord op, knikt nietszeggend. De serveerster loopt begrijpend weg. Jan moet wat drinken en de serveerster weet wat hij wil. Aan Jan valt weinig te verdienen, hij bezet een tafel waar even tevoren drie heren een dure zakenlunch nuttigden. Maar dat geeft niet in Berkel en Rodenrijs. Jan is welkom. Jan is stamgast, zoals dat heet.

Burgerlijk

Hoe kunnen we deze calvinistische sfeer duiden? Van kliekjes mensen die op elkaar geen acht slaan, die doen alsof het andere kliekje vereenzelvigd is met het meubilair? Rumoer is er, maar het gedrag is ingetogen, gesprekken spelen zich af binnen de vierkante meter van de tafelomtrek. Met vingers wordt niet geknipt, de zakenman wordt met evenveel hoffelijkheid behandelt als de voetbalvrijwilliger. De bezwering 'doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg' benauwd de atmosfeer in deze brasserie. Precies zoals Leonhard Huizinga (1906-1980) ooit schreef: "Of we hoog of laag springen, wij Nederlanders zijn allen burgerlijk, van den notaris tot den dichter en van den baron tot den proletariër."

Het boek 'De mensen en het dorp' leert ons meer over de volksstam in Berkel en Rodenrijs. Daarin maakt Jan Schouten, directeur van opleidingscentrum Schouten en Nelissen, een onderscheid tussen het kapitalisme van de markt (Angelsaksisch) en het kapitalisme van de gemeenschap (Rijnlands). In het Angelsaksische, ook wel neo-Amerikaanse model, doet men alleen een transactie als de prestatie meteen een tegenprestatie oplevert. “Maar in een gemeenschap is dat anders”, doceert Schouten. “Daar heerst de lange termijn: ik breng offers, in de wetenschap dat ik daar ooit voor beloond zal worden.” De relaties in deze gemeenschap worden niet zozeer gereguleerd door geldstromen of de wetten van de markt, als wel door de regels van de gemeenschap, calvinistische regels. Het verklaart waarom stamgast Jan een tafel voor vier mag bezetten voor een koffie per uur. "Zij nemen genoegen met een onsje minder", verklaart Schouten.

Kapitalisme

'De mensen in het dorp' gaat, zo begrijp ik nu, over mijn observaties in brasserie 'Achterom'. Hier is het geen handjeklap, hierbinnen huist een gemeenschap van pais en vree. Een gemeenschap van kliekjes, dat wel, maar toch een echte gemeenschap. In Berkel en Rodenrijs woekert niet het kapitalisme van de markt, maar dat van de gemeenschap. Een Rijnlands dorp onder de rook van Rotterdam waar de Angelsaksische McDrives op de loer liggen. Een strijd die bevochten wordt aan de maaskant. Een strijd die van de Franse schrijver Michel Albert de naam 'Capitalisme contre Capitalisme' kreeg; een finale tussen economische modellen die na de overwinning op het communisme elkaar naar het leven staan in het randstedelijke gebied.

Opponent van Michel Albert is ongetwijfeld Adam Smith, een Schotse econoom uit de achttiende eeuw die wordt gezien als de grondlegger van het klassiek liberalisme. Volgens Smith "mogen we niet van de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker ons avondmaal verwachten, maar van hun groot respect voor hun eigenbelang." We zouden niet aan hun menselijkheid overgeleverd zijn, maar aan hun eigenliefde.

Oorlogsverklaring

In Berkel en Rodenrijs zijn we wel aan de welwillendheid van de slager, brouwer of bakker overgeleverd. De brasserie in Berkel en Rodenrijs is zogezegd een bunker van burgerschap. Langzaamaan begin ik me te beseffen dat ik hier, hoe vriendelijk ik ook geholpen wordt, de haastige klant op vijandelijk gebied ben. Hier doen ze prei in de tomatensoep. Niet als teken van gastvrijheid voor buitenstaanders, maar als oorlogsverklaring aan Cup-a-Soup-consumenten als ik.

Het aanstampen van stoeptegels houdt samenlevingen bijeen

Managementboek.nl, 10 februari 2008
Het aanstampen van stoeptegels houdt samenlevingen bijeen


Ik ben op weg naar mijn ouderlijk huis, wandelend in het dorp waar ik opgegroeid ben. Het is zondag, half vijf in de middag, de zon staat laag, de avond valt. Het dorp Leusden ligt er aangeharkt, geveegd en vredig bij.

Door Steven de Jong

Het contrast met mijn woonplaats Rotterdam wordt bekrachtigd door een stilzwijgen van claxons en afwezigheid van tingelende trams. Passanten groeten elkaar. Leusden is zoals een dorp hoort te zijn. Een plek waar maatschappelijke problemen veilig opgeborgen blijven in de beeldbuis.

Voor dorpse begrippen zijn het politiebureau en het gemeentehuis indrukwekkende gebouwen. Vaag kan ik mij herinneren dat de Leusdenaren in de kerk, op het dorpsplein en in de katernen van de Leusder Krant hun verontwaardiging uitspraken over de grootte en luxe van dit bureau. Een bureau dat vaker dicht dan open is, waarvan de dienders zich slechts druk hoefden te maken om opgevoerde brommers en door het winkelcentrum fietsende jongeren, had – volgens de gemeenschap - best wat bescheidener gemogen.

Ook het gemeentehuis zorgde, eind jaren tachtig, voor de nodige beroering: de kozijnen zijn namelijk paars, en paars is niet de kleur die past bij een bestuursorgaan waar losliggende stoeptegels de raadsvergaderingen domineren. Maar alles went, zelfs paarse kozijnen. De rust keerde weder. Alleen de brand in de bibliotheek, veroorzaakt door een ongelukje met een vuurpijl in het rieten dak, deed de gemeenschap, begin jaren negentig, nog even opschrikken.

Wandelend langs het Paarse Hart van de Leusder democratie valt mijn oog op een poster. Een poster op het raam aan de zijkant van het gemeentehuis. Erop prijkt een verbodsbord, met daaromheen de tekst 'Geen Djihad in onze straat'. Wat is er gebeurd in 'mijn Leusden', vraag ik me af. Zijn er kromzwaarden getrokken, is de buurtbus onlangs opgeblazen, een vliegtuig in de kerktoren gevlogen? Natuurlijk niet; ik stap, de vrije meningsuiting even aan mijn laars lappend, het gemeenteplantsoen in en trek de poster van het raam af. Op de schuifdeuren bij de ingang tref ik nog drie posters aan; ook die trek ik eraf. Of beter gezegd, die scheur ik eraf – want zoals Luther al wist – een manifest op de poort moet stevig vastzitten.



Het spijt me, kaalhoofdige wildplakkers van Voorpost.org. Maar in 'mijn Leusden' is geen plek voor onnodige, haatdragende verordeningen. De moslim die ik een straat verderop tegenkom trekt niet zijn kromzwaard, maar groet beleefd. De poster zal hij niet onder ogen krijgen. Het onderwerp in de raad van maandagavond zal niet de poster zijn. Het zal gaan over losliggende stoeptegels. Vergis u niet, het aanstampen van stoeptegels is wat samenlevingen bijeen houdt.

De tuinkabouters van de 21ste eeuw

Managementboek.nl, 4 februari 2008
De tuinkabouters van de 21ste eeuw


Waar ik me hevig over op kan winden zijn vazen. Niet gewone vazen, maar siervazen. Begrijp me goed, met losstaande siervazen heb ik geen enkel probleem. Nee, het stoort me pas als ik ze met zijn tweeën aantref, dicht bij elkaar, op een verder lege vensterbank.

Door Steven de Jong

Deze hardnekkige irritatie heb ik opgelopen toen ik vorig jaar elke avond vanaf het station door een nieuwbouwwijk naar huis moest lopen. Erger kun je een mens niet aandoen. Waar ik ook keek, overal zag ik ze in paartjes in de vensterbanken van brave burgermanshuizen staan. Had het ene huis ze, dan kon je er donder op zeggen dat de buren ze ook hadden. Van die lange, slanke, glazen siervazen. Verschrikkelijk! Niet omdat ik ze lelijk vind, maar omdat ik ze overal – zonder reden – tegenkom. Het zijn de tuinkabouters van de 21ste eeuw.

Wat bezielt die mensen, dacht ik. Waarom nou toch? Word je er gelukkiger van, is het een statussymbool? Tot overmaat van ramp trof ik ze zelfs bij een vriendin aan, ook twee siervazen – met niks erin natuurlijk – naast elkaar. Toen ze even weg was, heb ik ze – bij wijze van experiment - ostentatief uit elkaar gezet. “Wat heb je met mijn vazen gedaan?”, vroeg ze geïrriteerd. “Die horen naast elkaar.” Waarom dan? “Nou gewoon, dat hoort zo.” Geen esthetische verantwoording, geen diepzinnige interieurgedachte, maar “gewoon omdat het zo hoort”. Alsof ik daar genoegen mee zou nemen.

Waarom dat zo hoort, begreep ik pas na lezing van ‘De stand des tijds’, het boek van trendverkenner Herman Konings. De bittere werkelijkheid openbaarde zich. Siervazen, in paartjes wel te verstaan, behoren tezamen met oranje koekblikken (jaren zeventig), bakkebaarden (jaren zeventig en jaren nul) en nordic walken (ook jaren nul) – tot de producttrends op microniveau. Doorgaans hebben ze, volgens Konings – die zich baseert op een model van het bureau Trendslator – een levensverwachting van zes tot achttien maanden. Het gaat over de populariteit van een bepaald product, een dienst of een gebeurtenis. “Het zijn de modestromingen – hypes of rages – die snel de kop opsteken en dan uit het zicht verdwijnen.”

Verontrustender is echter hoe die trends geruisloos in het doen en laten van consumenten sluipen. Als virussen die tot epidemie uit willen groeien en zich daarom pas openbaren na een incubatietijd van enkele maanden. Met vakantiebestemmingen is dat anders: vraag duizend respondenten in februari waar ze in juli en augustus lanterfanten, dan kun je er vanuit gaan dat je ze daar, op een paar na misschien, in de zomermaanden ook aan zult treffen. Maar niemand, echt helemaal niemand, had twee jaar geleden kunnen voorspellen dat duizenden babyboomers weekend na weekend met stokken door de bossen hossen. Simpelweg omdat die langlaufers zonder ski’s, zo debiel ziet het er immers uit, dat twee jaar gelden zelf ook niet wisten, en waarschijnlijk ook – met het toen nog gezonde verstand - niet wilden.

Konings verklaart: “Na bij consu-mensen te hebben gepolst wat ze in de toekomst zullen doen, kunnen marketeers, productontwikkelaars, communicatiedeskundigen en andere zakelijke beslissingsnemers maar beter een andere weg inslaan dan het pad te volgen dat de peilingen aanwezen.”

Hij doorbreekt hiermee de mythe dat consumenten het bevredigen van behoeften zouden najagen. In onze westerse, kapitalistische markt gaat het juist om het creëren van behoeften. Bemiddelde consumenten hebben alles al, en daarom dragen bedrijven mensen op wat ze ook nog moeten willen, en kopen. Niet omdat mensen dat nodig hebben, maar omdat de schoorsteen moet roken. “Mochten mobieletelefoonoperatoren zich louter achter de onbevangen eerste indrukken van consumenten hebben geschaard”, illustreert Konings, “dan had oma wellicht nu geen GSM”.

Als je de toekomstige markt wilt kennen, moet je eerst de samenleving begrijpen, weet de trendanalist. “Een trendanalist moet in de eerste plaats een blik menswetenschappers opentrekken: psychologen, antropologen, sociologen, socio-demografen, economen, filosofen en – jawel – geschiedkundigen.” Pas daarna kun je de infantiele consument – zoals Benjamin Barber zou zeggen – doorgronden.

Na kennis genomen te hebben van deze wetenswaardigheden, heb ik meer begrip gekregen voor al die arme schapen met siervazen in hun vensterbank. Ze kunnen niet anders, ze weten niet beter: zij zijn, als makkelijk te infecteren consu-mens, ongewild de drijvende kracht achter de moderne marktdemocratieën. Het brandhout dat de schoorsteen van siervazenfabrikanten doet roken. En terwijl ik dit overpeins, staar ik naar het bord wat ik zojuist in een Rotterdams grand café heb leeggegeten. Het is geen rond, maar een vierkant bord. Houdt het dan nooit op?

Stille getuigen van een maatschappij op drift

Managementboek.nl, 25 januari 2008
Stille getuigen van een maatschappij op drift


“How much? How much is it?” Een wat sjofele man, wankelend op zijn benen, informeert naar de rekening. Preciezer: de prijs voor het op zak hebben van drugs, de vlucht uit het dagelijks bestaan.

Door Steven de Jong

“Nee, je krijgt geen boete!”, tettert een jonge agente in zijn oor. “Je krijgt een dagvaarding!” Het kan de man weinig schelen. Zelfs tegen een standrechtelijke executie zou hij geen bezwaar maken. “Praat nou gewoon Nederlands, jongen. Je bent hier in Nederland”, zegt haar collega geïrriteerd. De junk begint te lachen, en rochelt – de ophef niet begrijpend - op de grond.

Zomaar een flard van een gesprek, opgevangen op een doordeweekse avond op de Lijnbaan in Rotterdam. De winkelstraat die, na het zakken van de rolluiken, overgenomen wordt door een ander publiek: jongeren die op weg zijn naar hippe danstenten, maar dus ook de mensen die - zoals deze junk - de maatschappij de rug toe hebben gekeerd. Of beter gezegd: die wij - de schuldeisende maatschappij - op straat hebben gegooid, niet uitnodigen voor een sollicitatiegesprek en met een boog omheen lopen. Het zijn de stille getuigen van een maatschappij op drift, hoe harder wij lopen hoe groter hun aantal.

Samen leven heeft, zoals het Kabinet er overigens keurig bij vermeld, ook zijn prijs: namelijk samen werken, een inspanning leveren. De nuchtere inspanning die steeds minder mensen op kunnen brengen. De kloof tussen mensen die een CV opbouwen en diegenen die hun strafblad vullen wordt breder.

“De snelheid van verandering zit op het hoogste toerental ooit”, schrijft Herman Konings in zijn boek ‘De stand des tijds‘. Wie stil staat, op straat rond doolt en zich ophoudt in portieken tekent voor een leven aan de zelfkant, wordt afgeschreven als een verouderde computer die, vanwege een lage kloksnelheid, nieuwe software niet meer kan draaien. Geen competenties meer heeft om samen met ons te mogen leven, crashed op het besturingssysteem dat de moderne samenleving is.

De beroepsactieve burger, daarentegen, uitgerust met mobiel, Ipod en gestreken blouse heeft haast. Zijn moderne burgermansbestaan is in de greep van nog te beantwoorden mailtjes, hypotheekaflossing en een elektronische agenda die met alarmbellen de volgende afspraak inluidt. Anders dan de bekeurde junk wordt hij niet beboet voor stilstaan maar voor zijn grootste competentie: de snelheid erin houden. Hij wordt slechts staande gehouden voor te hard rijden, stoptekens negeren en bumperkleven.

Vooruitgang is wat ons beweegt. Al decennia. Toen Henry Ford, zo schrijft Konings, de goegemeente van Dearborn (Michigan, VS) de vraag had gesteld wat hij voor de boeren, burgers en buitenlieden kon vervaardigen, luidde het antwoord: “Een sneller paard!”. Dat paard kwam er, in de vorm van een auto, maar op de lange termijn heeft het geen tijdswinst en werklastverlichting - “de naakte bekommernis van Fords streekgenoten” - opgeleverd. Simpelweg omdat we onze werkschema’s en sociale agenda’s erop hebben aangepast. Van een koerier die in een uur van Amsterdam naar Rotterdam kan rijden verwachten we ook dat hij binnen het uur met zijn pakje gearriveerd is.

Charlie Chaplin, ongetwijfeld de grappigste maatschappijcriticus van de industriële revolutie, doorzag dit al. Hij speelde de fabrieksarbeider aan de lopende band, die op de automatische piloot schroeven moest aandraaien in voorbij zoevende halfproducten. De snelheid werd door de baas net zolang opgevoerd tot Chaplin compleet doordraaide. Toen de band plotseling stopte, draaide hij de knopen in de jurk van een vrouwelijke bediende aan en kreeg het aan de stok met de hamerende buurman van wie hij het soepbord had omgedraaid. Onze samenleving wordt er allerminst gemakkelijker en vrijer op. Integendeel, technische hulpmiddelen maken ons jachtig, gestrest; op weg naar A naar B; letters die pitstops symboliseren. We zijn beland in het stadium dat kantoorklerken een burn-out krijgen op hun Microsoft Office.

Volgens Mary Jane Ryen, auteur van de ‘Kracht van het Geduld’, is de snelheid juist uit onze cultuur verdwenen en ervaren we enkel nog maar graden van traagheid. Geduld verdwijnt uit onze psychologische instrumententrommel. Het roven van tijd – voordringen en treuzelen – is de gemene deler geworden van wat in bevolkingsenquêtes de toptien van ‘ergeren aan elkaar’ aanvoert. Fast food heeft de smaak uit ons eten verdreven, time management de arbeidsvreugd.

Link: 'Kantoorklerken die een burn-out krijgen op hun Microsoft Office'

We ervaren enkel nog maar graden van traagheid

Managementboek.nl, 21 januari 2008
We ervaren enkel nog maar graden van traagheid


“Ik wil graag een kaartje kopen, maar die kut-automaten lezen mijn pinpas niet”, aldus een jongedame op Rotterdam Centraal tegen een drietal conducteurs.

Door Steven de Jong

De wandelende helpdeskmedewerkers verwijzen de dame vriendelijk door naar het servicekantoor boven aan de trap, alwaar zij haar woordkeuze – die vanwege de vindingrijke combinatie van ‘kut’ en ‘graag’ taalkundig een pluim verdient - kan botvieren op mensen die nog niet zijn vervangen door haperende computers.

Enig begrip kan ik wel opbrengen voor deze opgefokte treinreizigster. De touchscreens van de huidige generatie kaartautomaten ontnemen de gehaaste mens immers de mogelijkheid om frequent en hard op drukknopjes te meppen; een stressontladende activiteit die nog niet zo lang geleden het wachten op het kaartje – in beleving – deed verkorten. Aangezien aaien over een touchscreen stresspsychologisch nogal onbevredigend is, moet je op zo’n moment wel putten uit het rijke vocabulaire dat de Bond tegen het Vloeken, getuige haar vele campagneposters op stations, ons verbiedt.

Gelukkig zijn er nog wel frisdrankautomaten waar je een deuk in kunt schoppen, bedieningspanelen van liftdeuren waar je op kunt rammen, claxons waar je verkeersdeelnemers mee op kunt jagen en loketambtenaren waar je het smoelwerk van kunt verbouwen. Voor wie op een beschaafdere manier de tijdsbeleving positief wil beïnvloeden kan ik overigens multitasking aanraden. Het filerijden, bijvoorbeeld, zo ongeveer de grootste ergernis van de automobilist, is – alleen als u casco verzekerd bent - te combineren met koffiedrinken, de TomTom instellen, ontbijten, sms’en en zelfs krantlezen. Eenmaal rijdend kunt u eventueel uw bovenbeen gebruiken om te sturen, of beter gezegd: om tussen de vangrails te laveren. Voor multitasking heeft u immers twee handen nodig. En, voor wie gezegend is met een cruisecontrol, behoort het mobiel knippen van de teennagels ook nog tot de mogelijkheden. Zo irritant hoeft wachten dus niet te zijn.

Wachtenden, daarentegen, die geen vervanghandelingen verrichten, zijn – zo schrijft Herman Konings in zijn boek ‘De stand des tijds‘ - geneigd de reële verliestijd groter in te schatten dan de chronometer. ‘Geduld’, de schone zaak die nog steeds als deugd wordt beschouwd, maakt volgens de trendverkenner steeds minder deel uit van onze psychologische instrumententrommel. De moderne samenleving, van de huiselijke sfeer tot de publieke ruimte, richten we namelijk steeds efficiënter in. Televisieprogramma’s kunnen we op elk gewenst moment bekijken (Uitzendinggemist.nl), koffiefilters hoeven we niet meer te vullen (Senseo-pads), overschrijvingskaarten niet meer te posten (internetbankieren) en op het vliegveld kunnen we met een paspoortlezer onszelf inchecken.

Maar in onze beleving gaan we er niet op vooruit. Integendeel; de snelheid is uit onze cultuur verdwenen, stelt Marie Jane Ryen, auteur van ‘De kracht van het geduld’. Door an sich versnellende technieken als breedbandinternet en spoedpassen op tolwegen “ervaren we enkel nog maar graden van traagheid”. Wachten vinden we bij steeds minder gelegenheden vanzelfsprekend, alles moet a la minute geregeld zijn. En daarom rijden we liever al bellend en bumperklevend de kofferbak van treuzelaars in elkaar, dan dat we ons concentreren op waar we mee bezig zijn; het proces, de weg van A naar B. “We lijden massal aan wachtmerries”, constateert Konings. Alleen de dood, zo waarschuwen cardiologen, kan de door traagheid geplaagde stressmens nog inhalen.

Link: 'We ervaren enkel nog maar graden van traagheid'

Met het naleven van regels pronk je toch niet?

Managementboek.nl, 13 januari 2008
Met het naleven van regels pronk je toch niet?


De afgelopen maand heb ik mijn best gedaan om de maximum snelheid niet te overschrijden, niet te sjoemelen met de omzetbelasting en lege flessen te scheiden van ander huishoudelijk afval.

Door Steven de Jong

Daarin ben ik geslaagd, maar ik had het beter voor me kunnen houden. Want vanaf nu rust op mij de verdenking dat ik het normaal gesproken niet zo nauw neem met de regels.

Zo denken de meeste ondernemers: in een cultuur waar het vanzelfsprekend wordt geacht te voldoen aan wet- en regelgeving, pronk je niet met de naleving ervan. Sterker, handhavers – en in een grimmiger stadium rechercheurs, officieren van justitie en rechters - zijn in de regel helemaal niet geïnteresseerd in burgers en bedrijven die ‘het goed doen’.

Wel krijg ik de volle aandacht als ik morgen met 160 km/h van de weg wordt gehaald, de belastinginspecteur geen bonnetjes van als kostenpost opgevoerde laptops kan overhandigen en de milieupolitie lege flessen aantreft tussen post waar mijn adres op staat. Ter verdediging zou ik kunnen aantonen dat mijn overtredingen slechts een bevlieging van burgerlijke ongehoorzaamheid waren in mijn anders zo gezagsgetrouw bestaan, maar of ik daarmee de strafmaat beïnvloedt is nog maar de vraag.

Die vraag – heeft de overheid oog voor inspanningen van bedrijven om zich te houden aan regels? - staat centraal in het boek ‘The Science of Compliance’ van Henriette Gelinck, voormalig officier van justitie. Met compliance doelt Gelinck op naleving van regels als organisatievraagstuk. Als brug tussen het wetboek van strafrecht en de kwaliteitsmanagementsystemen van bedrijven.

Een simpel voorbeeld: volgens het recht moet een werkplaats ‘in goede staat van onderhoud’ zijn, maar het wetboek laat na te formuleren wat de wetgever daaronder verstaat. De ondernemer, daarentegen, heeft er belang bij te weten hoe hij de activiteiten binnen zijn onderneming moet inrichten zodat de onderneming functioneert binnen de grenzen van het recht. Een verstandige ondernemer zal in samenspraak met de vergunningverlener invulling geven aan het begrip ‘goed onderhoud’: bijvoorbeeld door het opstellen van een checklist, waarmee het bedrijf zichzelf – op gezette tijden – kan inspecteren op de aanwezigheid van roestplekken, lekkage, olie op de vloer en rondslingerend gereedschap. Als tegenprestatie voor deze verankering van regels in de bedrijfsvoering zou de handhaver de registratie ervan moeten meewegen in het beoordelen van de situatie.

Dat gebeurt te weinig, weet Gelinck. De toepassing van het recht wordt in Nederland volgens haar getypeerd door het constateren van fouten en het aanwijzen van schuldigen. Wel ziet ze een verschuiving van ‘Apply’ (eisen worden eenzijdig door de overheid opgelegd) naar ‘Reply’, een klimaat waarin eisen gecorrigeerd kunnen worden door inspraak en medezeggenschap. Maar van compliance (’Comply’), het interactieve proces waarin overheid en bedrijfsleven in samenspraak de spelregels vaststellen, is volgens haar nauwelijks sprake.

Dat is vooral de overheid aan te rekenen, zo illustreert Gelinck met een citaat van Maslow: “Als het enige gereedschap dat je tot je beschikking hebt een hamer is, dan is de verleiding groot om alles te behandelen alsof het een spijker is.” Zo ook de schroef, die in dit geval symbool staat voor het proactieve kwaliteitsdenken van menig ondernemer. Die managementsystemen worden door handhavers nauwelijks bekeken, niet ‘in het het beleid gedraaid’; nee, de handhaver geeft de voorkeur aan het slaan met de hamer. Op de roestplekken, op de lekkage. Zonder oog te hebben voor de structurele onderhouds- en inspectieactiviteiten (lees: compliance) die roest en lekkage in de regel voorkomen en opsporen.

‘The Science of Compliance’ is zo beschouwd een pleidooi voor een beloningssysteem, parallel aan het strafrecht. Dat vraagt ook om een cultuurverandering in het bedrijfsleven; ondernemers die een compliance-traject ingaan zullen open moeten communiceren hoe goed ze de regels wel niet naleven. En dat is, zo begon ik mijn column, niet iets waar je mee te koop loopt. Het gaat dus niet zozeer om ‘the science’ als wel om ‘the silence’ rondom compliance: het doorbreken van de stilte. Dat is toegeven aan het feit dat iedereen die geacht wordt de wet te kennen die wet eigenlijk helemaal niet zo goed kent.

Link: 'Silence of Compliance - strafrecht en kwaliteitsdenken in elkaar gedraaid'